Rb. Den Haag 30 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11454

Leges, rechtsbasis, hoogte, Richtlijn 2003/109/EG, Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag voor legesheffing is gelegen in artikel 24, tweede lid, van de 2000. De betreffende artikelen in het VV 2000 bepalen voor welke aanvragen de vreemdeling leges is verschuldigd en welk bedrag aan leges hij moet betalen voor welke aanvraag en voor welk daarmee samenhangend verblijfsdoel. De Afdeling heeft in de door eiser aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0145), waarin het ging om leges in het kader van een aanvraag om verlening van een mvv, overwogen dat een legesheffing van € 830,- het nuttig effect ontneemt van de richtlijn (2003/109/EG) en in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij het betreffende artikel van de Regeling op de consulaire tarieven wegens strijd met dat beginsel buiten toepassing had moeten verklaren. Uit die uitspraak volgt niet dat de Afdeling de (betreffende bepaling van de) regeling onverbindend heeft verklaard, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de door eiser aangehaalde bepalingen van het VV 2000 onverbindend zijn of onverbindend moeten worden verklaard. Ook het Hof heeft in het aangehaalde arrest van 26 april 2012, zaak C-508/10, niet geoordeeld dat die bepalingen onverbindend zijn. Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 en de bepalingen van het VV 2000 kon verweerder nog steeds leges heffen, met dien verstande dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de te heffen leges rekening dient te houden met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn standpunt dat er geen basis bestond voor legesheffing. Uit het aangehaalde arrest van het Hof kan worden afgeleid dat verweerder voor aanvragen als hier aan de orde een bedrag aan leges mag heffen mits dat bedrag niet onevenredig is en geen belemmering kan vormen voor de uitoefening van de bij de richtlijn toegekende rechten. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, het maximale bedrag voor een nationale identiteitskaart sinds 1 januari 2012 € 40,05 bedraagt, betekent niet dat een legesbedrag van € 130,- voor evenbedoelde aanvragen onevenredig is. Voorts heeft verweerder onder verwijzing naar de door hem aangehaalde brief van de minister van 4 juli 2012 uiteengezet dat het bedrag van € 130,- in lijn is met het gemiddelde legesbedrag dat andere EU-lidstaten vragen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid een bedrag van € 130,- aan leges voor aanvragen als hier aan de orde heeft kunnen hanteren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken