ABRvS 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4286
De Rb. heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat de in 2.3 vermelde verklaring van 31 mei 2007 en de daar vermelde brieven van 26 maart 2007, 24 april 2007 en 5 augustus 2007 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in 2.2.2 zijn, die een hernieuwde rechterlijke toetsing van het besluit van 29 december 2008 rechtvaardigen. Voorts zijn de UNHCR-Note, het in 2.3 vermelde rapport van 6 maart 2006 en de daar vermelde brief van 14 november 2007, hoewel deze dateren van na het besluit van 22 maart 2002, evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in 2.2.2, nu uit de uitspraken van de Afdeling van 24 september 2009 in zaak nr. 200901907/1/V1 (LJN: BJ8654) en van 17 maart 2010 in zaak nr. 200906595/1/V1 (www.raadvanstate.nl), volgt dat op voorhand is uitgesloten dat deze stukken aan dat besluit kunnen afdoen. Uit hetgeen de vreemdeling voorts heeft aangevoerd over art. 12, lid 2 van de richtlijn kan niet worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, omdat die bepaling en art. 1(F) van het Vluchtelingenverdrag met elkaar overeenkomen, gelet op hun tekst alsmede gelet op hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover heeft overwogen in de punten 77, 86 en 102 van zijn arrest van 9 november 2010, C 57/09 en C 101/09, Duitsland tegen B. en D. (www.curia.europa.eu). De brieven van 2009 zijn, hoewel deze dateren van na het besluit van 22 maart 2002, op zichzelf genomen noch in samenhang met de UNHCR Note nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in 2.2.2, nu op voorhand is uitgesloten dat zij aan dat besluit kunnen afdoen. Immers, in voormelde brief van de UNHCR van 9 juli 2009 zijn geen aan de UNHCR Note ten grondslag gelegde bronnen genoemd. Bovendien blijkt uit die brief niet dat de daarin vermelde aanvullende bronnen concrete informatie over de roulatie en bevorderingssystematiek voor (onder)officieren binnen de KhAD/WAD hebben verschaft. Voorts zijn in de brieven van 2009 geen aan de UNHCR Note ten grondslag gelegde bronnen of door de UNHCR geraadpleegde aanvullende bronnen gespecificeerd die dergelijke informatie wel hebben verschaft. Hieruit volgt dat de Rb. ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat, samengevat weergegeven, in de UNHCR Note en de toelichting daarop in de brief van 9 juli 2009 concrete aanknopingspunten zijn gelegen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht en in zoverre door de vreemdeling nieuwe feiten en veranderde omstandigheden zijn aangedragen die een hernieuwde rechterlijke toetsing van het besluit van 29 december 2008 rechtvaardigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl