Rb. Den Haag 11 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15049
Afghaanse veiligheidsdienst Khadimat-e Atal’at-e Dowalti, KhAD, Wazarat-e Amaniat-e Dowlati, WAD, documentatiebureau, luitenant, kapitein, artikel 1(F), Vluchtelingenverdrag, significante uitzondering, artikel 3 EVRM, opvolgende asielaanvraag, Operational Directorates, inreisverbod, verzoek om opheffing inreisverbod, arrest Ezokola, personal-knowing-and-participationtest, (deel)ambtsbericht van 29 februari 2000, Brouwer, rapport, humanitaire omstandigheden, contra-expertise, kritische kanttekeningen, ministerie van Buitenlandse Zaken, gebruikte vertrouwelijke bronnen, tijdsverloop, actueel gevaar, concrete gedragingen, uitsluiting van de vluchtelingenstatus, artikel 8 EVRM, actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, actuele dreiging, ernstige misdrijven, langdurig gepaard gaande risico voor de openbare orde, concrete positieve gedragsverandering, misdrijven tegen de menselijkheid. De rechtbank gaat er van uit dat niet alleen bij de oplegging van het inreisverbod moet worden bezien of de vreemdeling een actueel gevaar vormt, maar dat dit ook geldt bij het besluit tot weigering om zo’n inreisverbod op te heffen. Indien de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv aan opheffing van het inreisverbod in de weg staat, brengt dat uitgangspunt met zich, dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) Vlv moet worden beoordeeld in het kader van een verzoek om opheffing van het inreisverbod. Bij de vraag of (nog) sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, moet rekening worden gehouden met de concrete gedragingen die leiden tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus, tijdsverloop, het gedrag van de vreemdeling gedurende dat tijdsverloop en rechten die volgen uit artikel 8 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ondanks het tijdsverloop sinds de gedragingen waarmee hij in verband wordt gebracht, nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het feit dat hij tot op heden de hem toegedichte gedragingen ontkent, maakt eiser echter tot actuele dreiging. Van eiser kan niet worden verlangd dat hij bekent zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven. De consequentie hiervan zou immers zijn dat eiser zichzelf incrimineert, terwijl de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv weliswaar in rechte vast staat maar daderschap van de aan eiser toegedichte misdrijven niet is bewezen, hoewel daarvan wel een (ernstig) vermoeden bestaat. Dit neemt niet weg dat niet van eiser zou kunnen worden gevergd dat hij er blijk van geeft afstand te doen van de misdrijven die door de KhAD/WAD zijn gepleegd. Een feitelijke bekentenis van het plegen van misdrijven mag dus niet verlangd worden. De aan te leggen maatstaf moet wél zijn dat, vanwege de ernst van de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv en het daarmee langdurig gepaard gaande risico voor de openbare orde, een concrete positieve gedragsverandering aanwijsbaar moet zijn om te kunnen aannemen dat niet langer sprake is van dat risico. Dat bij eiser sprake is van zo’n concrete gedragsverandering is uit het dossier noch anderszins gebleken. Eiser heeft tot dusver geen gevolg gegeven aan zijn rechtsplicht om te vertrekken. Dit duidt er niet op dat hij de fundamentele waarden en normen van de Nederlandse samenleving omarmt. Daarnaast is op geen enkel moment gebleken dat eiser afstand neemt van de ernstige misdrijven die zijn gepleegd door de KhAD/WAD toen hij daarvoor werkzaam was. In die zin geeft eiser geen blijk van besef van de ernst van die gedragingen. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat de misdrijven tegen de menselijkheid die door de KhAD/WAD zijn gepleegd naar hun aard nimmer verjaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2124
- Rb. Oost-Brabant 24 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1110
- ABRvS 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4286
- ABRvS 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4347
- ABRvS 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1611
- Rb. 's-Hertogenbosch 25 oktober 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:9547
- ABRvS 24 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8654
- ABRvS 3 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7355
- ABRvS 30 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7308
- ABRvS 30 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7346
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:71