Rb. Den Haag 4 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:9988

Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen omdat er, gelet op eisers verklaringen dat hij als officier en hoofdofficier werkzaam is geweest voor de KhAD, ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van nova of een relevante wijziging van het recht, zodat voor een hernieuwde rechterlijke toetsing hiervan geen plaats is. De rechtbank is ten aanzien van het door eiser gestelde risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM van oordeel het aan verweerder is om te onderbouwen dat het risico dat ten aanzien van eisers echtgenote in ieder geval vanaf 15 januari 2001 is aangenomen, niet tot gevolg heeft dat eiser zelf ook dit risico loopt. Dit volgt uit de door eiser aangehaalde EHRM arresten Bader e.a. tegen Zweden van 8 november 2005, D. e.a. tegen Turkije van 22 juni 2006 en Mayeka en Mitunga tegen België van 12 oktober 2006. Verder is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het evangeliseren voor eiser persoonlijk bijzonder belangrijk is om zijn godsdienstige identiteit te bewaren. De bestreden besluiten zijn hierom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank stelt verweerder middels deze tussenuitspraak in de gelegenheid voornoemde gebreken te herstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken