Rb. Den Haag 6 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2777
Artikel 1F Vluchtelingenverdrag, Afghanistan, Khad/WAD, inreisverbod voor 10 jaar. Verweerder heeft de ongewenstverklaring van eiser opgeheven en aan hem een inreisverbod van 10 jaar opgelegd. Met de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2004 is in rechte vast komen te staan dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. De door eiser ingebrachte documenten (waaronder rapporten van dr. [B], de UNHCR, Amnesty International, brieven van de Afghaanse ambassade in België en het Afghaanse consulaat in Nederland, verklaringen van kennissen en voormalig buurtbewoners van eiser in Afghanistan, een ongedateerde verklaring van een kolonel en brieven van de voorzitter van het parlement en van parlementsleden van Afghanistan) zijn geen nova. De inwerkingtreding van artikel 12 en 17 Dri is geen relevante wijziging van het recht. In geschil is voorts of aan eiser, ondanks de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, verblijf dient te worden toegestaan en dat hem gelet daarop geen inreisverbod mocht worden opgelegd. Hoewel 3 EVRM zich al 13 jaar tegen uitzetting naar Afghanistan verzet, wordt niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat vertrek naar een derde land niet mogelijk is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel inzake een andere Khad/WAD-kapitein slaagt niet. Het beroep op artikel 8 EVRM slaagt evenmin; verweerder heeft een fair balance gemaakt. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het besluit van verweerder om een inreisverbod op te leggen voor de duur van 10 jaar, niet onevenredig is. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl