ABRvS 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9181

Turkse zelfstandigen / puntensysteem / gewijzigde beleidsregels met nieuwe beperkende voorwaarden / verscherping criterium wezenlijk Nederlands belang / strijd met standstill-bepaling Uit de brief van de minister van Economische Zaken van 1 mei 2006 volgt dat sprake is van een beleidsmatige keuze om middels het puntensysteem, anders dan voorheen het geval was, de toelating van vreemdelingen die verblijf zoeken als zelfstandige in belangrijke mate te concentreren op en te beperken tot hooggekwalificeerde vreemdelingen die van waarde zijn voor de Nederlandse kenniseconomie. Uit voormeld arrest van het Hof van 21 januari 2010, alsmede uit de in 2.2.2. genoemde uitspraken van de Afdeling, volgt dat de standstill-bepaling niet vereist dat aanvragen van Turkse vreemdelingen dienen te worden beoordeeld alsof het 1 januari 1973 is, maar wel dat deze beoordeeld dienen te worden met toepassing van het destijds geldende criterium. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat aspecten als de hoogwaardigheid van kennisinbreng en het innovatieve vermogen van de betrokken vreemdeling, die in het puntensysteem mede ten grondslag liggen aan het advies van de minister van Economische Zaken, reeds onderdeel uitmaakten van het op 1 januari 1973 gehanteerde criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals weergegeven in 2.2.2. Datzelfde geldt voor de aspecten die volgens de minister van Economische Zaken in voormelde brief bijdragen aan het onderdeel "toegevoegde waarde voor Nederland". Dit is door de minister in hoger beroep niet bestreden. Nu de minister ter zitting voorts heeft aangegeven dat een negatief advies van de minister van Economische Zaken in de besluitvorming over de aanvraag altijd wordt gevolgd, worden daarmee voorwaarden voor toelating gesteld die op 1 januari 1973 niet werden gesteld en die het voor Turkse vreemdelingen die bedrijfsmatige activiteiten beogen die niet direct als bijdrage aan de Nederlandse kenniseconomie kunnen worden aangemerkt moeilijker maken in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige. In zoverre is dan ook sprake van een wijziging van de betrokken beleidsregel in ongunstige zin. Gelet op voormeld arrest van het Hof van 21 januari 2010 moet toepassing van het in 2.3.1. weergegeven beleid ten aanzien van voormelde categorie Turkse vreemdelingen derhalve in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol worden geacht. Het betoog van de minister ter zitting dat van strijd met de standstill-bepaling geen sprake is, omdat de inhoud van het criterium wezenlijk Nederlands belang per definitie afhankelijk is van de heersende economische situatie, kan, in het licht van dat arrest niet worden gevolgd. Anders dan in dat arrest is immers niet slechts sprake van een wijziging in de feitelijke economische situatie, die bij toetsing aan het gehanteerde criterium tot een andere uitkomst leidt, doch van gewijzigde beleidsregels met nieuwe beperkende voorwaarden, waarmee het criterium dat wordt toegepast voor de beoordeling van aanvragen van Turkse vreemdelingen die verblijf als zelfstandige beogen is verscherpt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het besluit van 18 november 2008, voor zover de aanvraag van de vreemdeling daarin is afgewezen onder verwijzing naar het volgens paragraaf B5/7.3.1 van de Vc 2000 tot stand gekomen advies van de minister van Economische Zaken, ondeugdelijk is gemotiveerd. De grief faalt. Zie in dit verband ook: uitspraken AbRvS van 29 september 2010 in zaken nrs. 201000031/1/V2 en 201002556/1/V2

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen