Rb. 's-Gravenhage 25 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5102
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder van een Turkse vreemdeling ter onderbouwing van zijn aanvraag met het doel arbeid als zelfstandige niet méér stukken kan vragen dan de stukken die hij op grond van het beleid in B5/7.3.3 Vc en B5/7.3.4 Vc wordt geacht te overleggen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.35. Nu eiser bij zijn aanvraag een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet ouder dan drie maanden heeft overgelegd alsmede een kopie van alle pagina’s van zijn paspoort en een ondernemingsplan met daarin opgenomen persoonlijke gegevens, bedrijfsgegevens, gegevens betreffende juridische zaken, een commercieel plan, een managementplan en een financieel plan, zijnde de stukken die hij op grond van het beleid in B5/7.3.3 Vc en B5/7.3.4 Vc wordt geacht te overleggen, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser bij zijn aanvraag een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd en dat de aanvraag daarom niet ter advisering aan de minister van EL&I is voorgelegd. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Maar ook indien het vorenstaande anders zou zijn en verweerder gevolgd dient te worden in zijn lezing van het beleid zoals ter zitting is toegelicht, kan het bestreden besluit evenmin stand houden. De Rb. is van oordeel dat de toepassing door verweerder van het beleid in B5/7.3.3, zoals ter zitting toegelicht, in strijd moet worden geacht met de standstill-bepaling van art. 41 van het Aanvullend Protocol. Daartoe is redengevend dat verweerder alsdan ter onderbouwing van de in het ondernemingsplan opgenomen gegevens, zoals genoemd in B5/7.3.4 Vc, stukken verlangt die zien op aspecten, waarvan de Afdeling in eerdergenoemde uitspraken van 29 september 2010, en met name de uitspraak met nummer: LJN: BN9200, heeft overwogen dat verweerder niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die reeds onderdeel uitmaakten van het op 1 januari 1973 geldende criterium wezenlijk Nederlands belang. Het betreft immers aspecten die invulling geven aan de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’ en ‘ondernemingsplan’. De Rb. doelt dan op: referentie voormalige werkgever(s), arbeidscontract(en) van voormalige dienstbetrekkingen, getuigschriften, referenties Nederlandse partners of contacten, vennootschapscontracten en financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten, loonaangiften, e.d. Ook overigens valt niet in te zien dat de gegevens die ingevolge B5/7.3.4 Vc uit het ondernemingsplan moeten blijken aspecten betreffen die reeds onderdeel uitmaakten van het op 1 januari 1973 geldende criterium wezenlijk Nederlands belang. Daartoe is redengevend dat in voormeld beleidsonderdeel evenzeer gegevens genoemd worden die zien op aspecten die invulling geven aan de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’ en ‘ondernemingsplan’. Dat de aspecten die invulling geven aan de onderdelen ‘persoonlijke ervaring’ en ‘ondernemingsplan’ nog steeds onderdeel uitmaken van dat beleid blijkt naar het oordeel van de Rb. evenzeer uit het beleid zelf.
De uitspraak op rechtspraak.nl