Rb. Den Haag 27 mei 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7858

Betreft intrekking met terugwerkende kracht van verblijfsvergunning regulier met doel: verblijf bij Turkse echtgenoot wegens verstrekken onjuiste gegevens dan wel achterhouden gegevens. De intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning is in strijd met de standstill-bepaling in artikel 13 van Besluit 1/80, omdat de bevoegdheid tot intrekking met terugwerkende kracht eerst in 2005 in de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd. Niet in geschil is dat referent, gezien zijn arbeidsverleden, Turks werknemer is in de zin van Besluit 1/80. Hij valt daarmee onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80. Nu referent onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80 valt, kan eiseres, als echtgenote van referent, zich ook op artikel 13 van Besluit 1/80 beroepen. De rechtbank wijst op het arrest Dogan van het HvJ EU van 10 juli 2014 (C-138/13), waaruit kan worden afgeleid dat eiseres een afgeleid recht op gezinshereniging met haar in Nederland wonende en werkende Turkse echtgenoot heeft, ongeacht of zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 mei 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6229) is gedaan, nu het dossier geen informatie bevat waaruit blijkt dat intrekking met terugwerkende kracht van verblijfsvergunningen ook al vóór 1 december 1980 onderdeel uitmaakte van verweerders beleid of dat dit als vaste praktijk werd gehanteerd. Geen finale geschilbeslechting, omdat verweerder nader zal moeten onderzoeken met ingang van welke datum intrekking van de verblijfsvergunning mogelijk is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken