Rb. Zeeland-West-Brabant 30 november 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6631
Bedrijfsopvolgingsregeling Successiewet 1956; art. 35b, 35c en 35d. Belanghebbende wil de bedrijfsopvolgingsregeling toepassen op de verkrijging van (indirecte) aandelenbelangen. De rechtbank oordeelt op grond van de wettekst en de bedoeling van de wetgever dat voor elke objectieve onderneming of een gedeelte daarvan de bezitseis van artikel 35d, eerste lid, SW afzonderlijk moet worden toegepast. Aangezien voor twee indirecte aandelenbelangen niet is voldaan aan de bezitseis kan de bedrijfsopvolgingsregeling daarop niet worden toegepast. Belanghebbendes beroep op een brede toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016, nr. 15/02845 slaagt niet. Ook de stellingen dat een van de uitzonderingen op de bezitseis van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting moet worden toegepast danwel dat het gelijkheidsbeginsel daartoe dwingt, volgt de rechtbank niet. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl