Rb. Rotterdam 16 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11948
In deze zaken gaat het om de negatieve betrouwbaarheidsoordelen die DNB heeft geveld over eisers en de daaruit voortvloeiende besluitvorming van DNB. Deze negatieve betrouwbaarheidsoordelen heeft DNB mede gestoeld op handhavingsbesluiten die de AFM heeft genomen. Eisende partijen betwisten dat de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat. Volgens de rechtbank ziet de beoordelingsruimte van DNB niet op het onderzoek naar de relevante feiten (ECLI:NL:CBB:2006:AY797). Omdat een negatieve uitkomst van de hertoetsing van de betrouwbaarheid in beginsel niet zonder gevolgen zal blijven en zal uitmonden in één of meer voor de betrokkenen belastende besluiten die zijn gericht op het bevorderen van de integriteit van de financiële sector (vgl. ECLI:NL:CBB:2021:1045), moeten naar het oordeel van de rechtbank hoge eisen worden gesteld aan de vaststelling en weging van antecedenten door het bestuursorgaan. De gevolgen raken niet alleen rechtstreeks aan eigendomsrechten van eisende partijen als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, maar ook aan het fundamentele recht op arbeid, dat een zelfstandig belang oplevert (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:1481). DNB heeft betrouwbaarheidsoordelen grotendeels gebaseerd op brieven en besluiten van de AFM. Ten aanzien van een deel van de besluitvorming van de AFM ligt er een onherroepelijke uitspraak. De rechtbank staat voor de vraag wat en in welke mate getoetst dient te worden. De rechtbank gaat uit een oogpunt van rechtsbescherming over tot een verdergaande toetsing dan die van DNB. Volgens de rechtbank vallen een aantal antecedenten af of wegen die in mindere mate mee. DNB zal gelet op de haar toekomende beoordelingsruimte een nieuwe toetsing moeten verrichten. De rechtbank houdt partijen voor dat DNB bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar de feiten en omstandigheden in ogenschouw zal moeten nemen die dan voorliggen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het tijdsverloop van de antecedenten bij het opnieuw verrichten van de hertoetsing van de betrouwbaarheidsbeoordeling een rol van betekenis kan hebben. Naarmate een gedraging langer in het verleden ligt, is het eerder onevenredig om die gedraging aan de betrokkenen in de oordeelvorming te blijven tegenwerpen (vgl. ECLI:NL:RVS:2022:1493, punt 3.2 (slotgedeelte) en ECLI:NL:CBB:2009:BK7281, punt. 2.2). N.B. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden. Voorts is DNB opnieuw beslissend op de bezwaren tot de conclusie gekomen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het handhaven van de negatieve betrouwbaarheidsoordelen en heeft zij daarom de primaire besluiten herroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3:9 Awb
- Artikel 4:17 Awb
- Artikel 4:19 Awb
- Artikel 6:19 Awb
- Artikel 7:1a Awb
- Artikel 7:13 Awb
- Artikel 7:14 Awb
- Artikel 8:42 Awb
- Artikel 8:55d Awb
- Artikel 8:69 Awb
- Artikel 8:72 Awb
- Artikel 8:91 Awb
- Artikel 1:25d Wft
- Artikel 2:96 Wft
- Artikel 3:17 Wft
- Artikel 4:10 Wft
- Artikel 4:11 Wft
- Artikel 4:14 Wft
- Artikel 4:19 Wft
- Artikel 4:20 Wft
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493
- CBb 26 april 2022, ECLI:NL:CBB:2022:187
- CBb 1 februari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:55
- CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1045
- CRvB 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2344
- Rb. Rotterdam 17 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5463
- CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:432
- CBb 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:366
- CBb 2 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:104
- Rb. Rotterdam 18 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2348
- CRvB 29 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3547
- CRvB 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3235
- ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2736
- CRvB 6 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2747
- ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571
- ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:352
- CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:496
- CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:498
- ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:874
- ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3339