Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2165
Boetes opgelegd door ACM aan handelaren die in de periode 2000 - 2009 actief waren op executieveilingen wegens overtreding van het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet. ACM heeft in deze zaak voldoende bewijs vergaard dat de conclusie kan dragen dat de handelaren zich op executieveilingen in de periode van 2000 tot en met 2009 zo hebben gedragen dat dit een schending van het kartelverbod van artikel 6 van de Mededingingswet oplevert. De gedragingen zijn, in onderlinge samenhang bezien, te kwalificeren als een één enkele inbreuk. De onderhavige één enkele inbreuk heeft een mededingingsbeperkende strekking. Waar eisers de betrokkenheid bij een of meerdere specifieke panden hebben betwist, heeft de rechtbank het bewijs daarvoor in beroep beoordeeld. De rechtbank is niet gebleken van vooringenomenheid, die een zuivere besluitvorming aan de kant van ACM in de weg zou hebben gestaan. ACM is bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen. De door eisers aangevoerde omstandigheden leiden er niet toe dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan wel dat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld dan wel verminderde verwijtbaarheid. De door ACM gemaakte keuze voor de boetegrondslag acht de rechtbank niet in strijd met de wet en ook niet onredelijk. Het gegeven dat er ook andere keuzes mogelijk (zouden) zijn (geweest) maakt dit niet anders. ACM stelt dat er sprake is van een “zeer zware overtreding” en heeft de ernstfactor gesteld op 2,5. De rechtbank acht deze ernstfactor passend De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ACM in de leeftijd en/of gezondheid van eisers dan wel in de gestelde media-aandacht geen aanleiding heeft hoeven zien om de boete te matigen. Wel acht de rechtbank een matiging van de boete met 10% op zijn plaats vanwege het feit dat eisers privé dan wel zakelijk behoorlijk financiële gevolgen hebben ondervonden van de jegens hen genomen besluiten, vooral door (de aankondiging van) het beëindigen van de bancaire relaties door de bank. Daarnaast geldt dat wegens overschrijding van de redelijke termijn de boetes worden verlaagd met 10% tot een maximum van € 10.000,-- (voor handelaren die in de 2e tranche zijn beboet) dan wel 5% tot een maximum van € 5.000,-- (voor handelaren die in de 3e tranche zijn beboet). De rechtbank stelt de boetes in alle gevallen vast op een lager bedrag.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 10 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:118
- CBb 10 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:119
- Rb. Rotterdam 3 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2273
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685
- Rb. Rotterdam 20 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2045
- CBb 16 april 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA0227
- CBb 13 december 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BZ2037
- Hof 's-Gravenhage 2 februari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2572
- CBb 12 augustus 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN3895
- CBb 7 juli 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN0540
- Rb. Rotterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM9911
- CBb 3 juli 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD6629
- CRvB 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9494
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:343
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2204
- CBb, ECLI:NL:CBB:2011:BU9151