CBb 3 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:204
Kartelverbod, art. 6 Mededingingswet, hoger beroepen executieveilingenkartel. Volgens ACM hebben de veilinghandelaren deelgenomen aan een enkele voortdurende overtreding van het kartelverbod. Deze overtreding bestond uit een complex van gedragingen voorafgaand, tijdens en na afloop van executieveilingen, welke gedragingen werden gekenmerkt door het gemeenschappelijke doel om op de officiële veiling een zo laag mogelijke prijs van een woning tot stand te laten komen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat handelaren in voorkomende gevallen in de eerste fase van de veiling (de inzetfase) hebben samengewerkt om de inzetprijs laag te houden. Dit werd bewerkstelligd doordat handelaren als groep boden, waarbij werd gepoogd om derden (outsiders) met het gezamenlijke bod mee te laten doen. Deze samenwerking kon een opstap vormen naar collusie in de afmijnfase (“groepsmijnen”), welke erop was gericht om de (afmijn)prijs van het betreffende pand zo laag mogelijk te houden. Werd het pand door een lid van de groep afgemijnd, dan werd dit vervolgens binnen de groep doorverkocht. De hiermee gegenereerde winst werd onder de groepsleden verdeeld. Deze “naveilingen” hebben naar het oordeel van het College een mededingingsbeperkende strekking. ACM heeft echter niet aangetoond dat het gezamenlijk inzetten steeds een aanzet vormde voor collusie in de afmijnfase. Uit verschillende verklaringen blijkt dat de samenwerking in de inzetfase niet per se met zich bracht dat handelaren gezamenlijk optraden in de afmijnfase. Ook blijkt uit het bewijs niet dat het gezamenlijk inzetten steeds tot een lagere inzetprijs leidde. De samenwerking kon ook enkel ten doel hebben om de premie te verkrijgen die wordt uitgeloofd voor het uitbrengen van het hoogste bod in de inzetfase (de plok). Dat bij een veiling gezamenlijk is ingezet, levert daardoor onvoldoende bewijs op om die veiling tot de enkele voortdurende overtreding te kunnen rekenen. Van het overgrote deel van de ‘besmette’ veilingen heeft ACM geen bewijs geleverd voor een naveiling. Op basis van alleen de veilingen met een naveiling kan de overtreding (in haar huidige vorm) niet bewezen worden geacht. Voor toepassing van de bestuurlijke lus om aanvullend onderzoek te doen teneinde te bepalen of uit dat bewijs alsnog een voortdurende overtreding kan worden afgeleid, ziet het College geen aanleiding. De bestreden besluiten worden daarom vernietigd en de boetes herroepen. Vijf appellanten hebben om schadevergoeding verzocht. In die zaken heropent het College het onderzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:184
- CBb 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:185
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2165
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2171
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2172
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2173
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2179
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2181
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2185
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2186
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2189
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2190
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2192
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2196
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2201
- Rb. Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2211
- Rb. Rotterdam 18 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10129
- CBb 8 april 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BM1588
- CBb 31 december 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BC1396
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:52