Rb. Overijssel 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:713
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de deken van de Orde van advocaten Midden-Nederland (hierna: de deken) op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. Inmiddels heeft de deken alsnog op dit verzoek beslist. Daarom heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen en is dat beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat eiser de deken niet te vroeg in gebreke heeft gesteld en dat de deken hem daarom een dwangsom moet betalen wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek. Deze uitspraak gaat niet ook over de alsnog genomen beslissing op het verzoek tot het aanwijzen van een advocaat, omdat daartegen geen beroep kan worden ingesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Overijssel 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:533
- ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2056
- ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2058
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2853
- ABRvS 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403
- Hof van Discipline 17 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:3
- ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474
- Hof van Discipline 14 juni 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:146
- Hof van Discipline 25 september 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:181
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124
- ABRvS 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644