Rb. Overijssel 23 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2276
Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de deken van de Orde van advocaten Noord-Holland op een verzoek tot het aanwijzen van een advocaat. De deken heeft in een brief van 19 augustus 2025 aan eiser een advocaat aangewezen. De deken heeft aan deze aanwijzing een aantal voorwaarden verbonden. De rechtbank oordeelt dat deze brief moet worden aangemerkt als een besluit op het verzoek van eiser. Met dit besluit heeft de deken tijdig beslist op het verzoek. Daarom is het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Daarnaast gaat deze uitspraak over het beroep van eiser tegen het besluit van 17 oktober 2025 waarbij de deken het bezwaar van eiser tegen het besluit van 19 augustus 2025 ongegrond heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat de deken het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Voor zover sprake is van een volledige toewijzing van het verzoek, had eiser geen belang bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen dat besluit. Voor zover sprake is van een verkapte (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek, stond daartegen geen bezwaar open maar kon daartegen alleen beklag worden gedaan hij het Hof van Discipline. Daarom is dit beroep gegrond. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2025 niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Overijssel 13 februari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:713
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2853
- Hof van Discipline 21 november 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:161
- Hof van Discipline 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87
- CRvB 23 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6570
- ABRvS 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644