Rb. Overijssel 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:533
Beroep i.v.m. niet tijdig beslissen door deken Orde van Advocaten op verzoek om aanwijzing advocaat. Beroep gegrond; de rechtbank stelt de verbeurde dwangsom i.v.m. het niet tijdig beslissen vast. De rechtbank is van oordeel dat de deken moet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb. De deken is immers met enig openbaar gezag bekleed. De aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van de Advocatenwet heeft publiekrechtelijk rechtsgevolg. Op grond van het vierde lid van artikel 13 van de Advocatenwet brengt een dergelijke aanwijzing immers mee dat de aangewezen advocaat verplicht is om zijn diensten te verlenen. Het door eiser gedane verzoek om ten behoeve van hem een advocaat aan te wijzen moet daarom worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de afwijzing van een aanvraag om aanwijzing van een advocaat, doet er niet aan af dat de Awb wel van toepassing is op de behandeling van een dergelijke aanvraag. De redelijke termijn om te beslissen is overschreden. Het beroep tegen het alsnog genomen reële besluit is niet-ontvankelijk. Omdat de bestuursrechtelijke weg in geval van een afwijzing van een verzoek om aanwijzing van een advocaat niet openstaat, is het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb hier niet van toepassing.
De uitspraak op rechtspraak.nl