Rb. Noord-Nederland 3 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1117
Geschil over hoogte toegekende immateriële schadevergoeding van € 3.000,- Eiser betoogt dat het Instituut bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding ten aanzien van de bouwsteen ‘doorlooptijd’ ten onrechte enkel rekening heeft gehouden met de periode dat hij woonachtig is geweest in het aardbevingsgebied. Volgens eiser heeft zijn vertrek uit het aardbevingsgebied allerminst tot gevolg gehad dat de aardbevingsproblematiek en de wissel die deze problematiek op zijn gemoedstoestand trok en trekt, hem heeft verlaten. De stress en onzekerheid na zijn verhuizing zijn juist groter geworden omdat hij zat met een niet-verkoopbare woning en dubbele lasten. De totale afhandelingsduur was 52 maanden. Eiser stelt dat hij de elf andere onroerende zaken samen met zijn vrouw heeft aangeschaft ter ondersteuning van zijn inkomen en pensioen. Volgens eiser is het juist de combinatie van het aantal lopende schadezaken en de duur daarvan die maken dat onverkorte toepassing van het IMS-kader door het Instituut onredelijk is, althans onevenredig voor hem uitpakt. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt. De rechtbank stelt vast dat als rekening zou worden gehouden met de door eiser berekende doorlooptijd van 52 maanden (in plaats van de doorlooptijd van 27 maanden die het Instituut heeft vastgesteld), die afhandelingsduur niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade zou leiden. Hoewel die totale afhandelingsduur van 52 maanden zou leiden tot een aanwijzing (2) als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Procedure en werkwijze Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022, zou dat binnen de gestandaardiseerde methode resulteren in een vergoeding van dezelfde hoogte als die eiser al heeft gekregen, namelijk € 3.000,-. Eiser zou dan nog steeds in categorie C (ernstige persoonsaantasting) vallen. Wat bouwsteen 4 (doorlooptijd) betreft heeft het Instituut voldoende deugdelijk gemotiveerd welke keuzes daarbij zijn gemaakt en waarom de feitelijke woonsituatie van belang is als het gaat om de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager. Eiser heeft geen argumenten ingebracht die kunnen afdoen aan deze keuze, of anderszins moeten leiden tot het oordeel dat het Instituut de andere elf panden in Groningen ten onrechte niet bij de beoordeling van eisers aanvraag heeft betrokken. Eisers stelling dat het meenemen van afhandelingsduren van alle procedures betreffende fysieke schade aan die elf panden zou kunnen leiden tot een betere startpositie voor hem in de toekomst is geen rechtens te respecteren belang, omdat dat belang enkel is gelegen in een onzekere toekomstige gebeurtenis, namelijk eisers mogelijke hernieuwde woonstedevestiging in het aardbevingsgebied. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. In het bestreden besluit is opgemerkt dat de door eiser genoemde omstandigheden van de impact die de aardbevingsschade en de schadeprocedures op hem heeft (gehad) en het leed dat hij als gevolg daarvan heeft ervaren zijn meegewogen in de Persoonlijke Impact Analyse, die in eisers situatie heeft geleid tot het hoogste profiel (profiel 4, bijzonder ernstig ervaren leed) en daarmee tot een hogere vergoeding. De rechtbank ziet in de door eiser gegeven onderbouwing geen aanleiding om, in weerwil van de regeling IMS, te bepalen dat het Instituut dient over te gaan tot toekenning van een aanvullende immateriële schadevergoeding aan eiser wegens de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is verder van oordeel dat de beroepsgrond over het schenden van de hoorplicht in de bezwaarfase slaagt, maar dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft tijdens deze beroepsprocedure meerdere keren de gelegenheid benut om zijn persoonlijke situatie en de invloed van de gaswinning daarop te belichten. Eisers betoog is betrokken bij de beoordeling van het bestreden besluit op bezwaar. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij niets meer heeft toe te voegen aan zijn betoog en dat een hoorzitting in bezwaar nu niets meer zou toevoegen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door het feit dat het Instituut hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren. Beroep ongegrond verklaard met proceskostenveroordeling en vaststelling dat Instituut griffierecht moet vergoeden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Noord-Nederland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3822
- ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:361
- Rb. Noord-Nederland 20 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1585
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8341
- ABRvS 19 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1117
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717
- HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524
- HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376
- HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286