Rb. Den Haag 6 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7570
Prejudiciële vragen bewaring Terugkeerrichtlijn – op 7 oktober 2024 is de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen voor zijn gehoor, dit besluit omvat een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 2 jaar – nadat eiser op 26 maart 2025 door Frankrijk aan Nederland is overdragen op grond van de Dublinverordening, heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend en deze na het voornemen weer ingetrokken – verweerder heeft geen (terugkeer)besluit op deze opvolgende asielaanvraag genomen - eiser zat in bewaring op de asielgrond, deze maatregel is opgeheven en eiser is aansluitend in bewaring gesteld ter fine van verwijdering naar Algerije – in het bewaringsgehoor heeft eiser verklaard niet terug te kunnen keren naar Algerije omdat hij, kort gezegd, vreest na terugkeer in een 3 EVRM-situatie te komen en dat hij bovendien naar Frankrijk wil om voor zijn op 18 september 2024 geboren kind te zorgen – uit het bewaringsgehoor volgen aanwijzingen dat het op 7 oktober 2024 vastgestelde terugkeerbesluit berust op deels achterhaalde gegevens en de verklaringen van eiser houden verband met de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement. Eiser heeft -uitsluitend- beroep in gesteld tegen de bewaring. De kern van de verwijzing behelst de vraag of de bewaringsrechter om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden ook moet nagaan of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Als de verwijdering niet kan plaatsvinden, kan de bewaring niet strekken tot de verwijdering en is deze onrechtmatig en moet de rechtbank eiser in vrijheid stellen – op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie is het de bewaringsrechter verboden om het terugkeerbesluit te toetsen en moet worden volstaan met de vaststelling dat er “een terugkeerbesluit” is – de rechtbank twijfelt of dit verbod verenigbaar is met het Unierecht en leidt uit de Terugkeerrichtlijn, artikelen 6, 7, 24, tweede lid, en 47 van het Handvest van de grondrechten en de arresten FMS, C, B en X en Ararat af dat de bewaringsrechter verplicht is om de onderhavige procedure na te gaan of het op 7 oktober 2024 vastgestelde terugkeerbesluit nader moet worden beoordeeld in het licht van de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement – het terugkeerbesluit dat de grondslag is voor de verwijdering, is vastgesteld zonder inhoudelijke beoordeling en zonder rechterlijke controle, eiser kan geen rechtsmiddel meer instellen tegen het terugkeerbesluit, in de nationale procedure is niet voorzien in een afzonderlijk verwijderingsbesluit, bezwaar maken tegen de feitelijke overdracht kan pas als de uitzetting is gepland en biedt dus geen bescherming tegen een onrechtmatige bewaring en is bovendien geen volledige toets aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en het Unierecht en het nationale recht voorzien niet in een periodieke toets van het terugkeerbesluit – door eiser in bewaring te stellen ter fine van verwijdering wordt de Terugkeerrichtlijn ten uitvoer gelegd - de lidstaten moeten gedurende de gehele tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement moet in alle fases van de terugkeer worden geëerbiedigd en deze verplichtingen staan los van de mogelijkheid van de derdelander om een (asiel en reguliere) verblijfsvergunning aan te vragen – de bewaringsrechter moet gelet op artikel 47 van het Handvest zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten. De rechtbank moet hiertoe kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van de inbewaringstelling te beoordelen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst en stelt het Hof twee prejudiciële vragen - eiser wordt thans in bewaring gehouden, zodat de rechtbank het Hof verzoekt om de prejudiciële vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen en te beantwoorden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6103
- Rb. Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6104
- ABRvS 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1646
- ABRvS 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1647
- ABRvS 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1648
- Rb. Den Haag 11 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6038
- ABRvS 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4661
- ABRvS 12 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4578
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829
- ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155
- ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1995
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:367
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:432
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:103
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:858
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:913
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:487
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:748
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892