Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139

Prejudiciële vragen geloofwaardigheidsbeoordeling asiel – vanaf 1 juli 2024 beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas op een andere wijze – verweerder stelt eerst de asielmotieven vast, beoordeelt dan of deze asielmotieven volledig met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve openbare bronnen zijn onderbouwd en zo niet, of de asielzoeker aan alle in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 (die identiek zijn aan 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95) genoemde voorwaarden voldoet – als dit niet zo is, dan wordt het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechtbank vraagt zich of deze werkwijze verenigbaar is met artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest – door de beoordeling van het asielverzoek te beperken tot artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, lijkt geen invulling te worden gegeven aan lid 1 tot en met 4 van deze bepaling en worden onder meer de elementen die als ondersteuning van de verklaringen kunnen dienen, niet of onvoldoende betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en lijkt geen sprake te zijn van een volledig en grondig onderzoek van de beschermingsbehoefte. Verzoeker legt zijn homoseksuele gerichtheid ten grondslag aan zijn asielaanvraag. – het asielmotief “seksuele gerichtheid” is naar zijn aard niet aannemelijk te maken met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve openbare bronnen – verweerder past zijn nieuwe wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid echter in alle procedures op dezelfde wijze toe, ongeacht het asielmotief en ongeacht de jurisprudentie van beide Europese Hoven over de bewijswaarde van documenten die niet authentiek en/of objectief verifieerbaar zijn.- Verweerder merkt alleen de seksuele gerichtheid en niet de door verzoeker gestelde problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid als asielmotief aan en werpt verzoeker voorwaarde c tegen – verweerder betrekt, door de nieuwe wijze van beoordelen, niet de door verzoeker overgelegde brief van zijn moeder die betrekking heeft op de door verzoeker gestelde problemen – verweerder betrekt niet de landeninformatie bij het beoordelen van de verklaringen van verzoeker – verweerder beoordeelt niet of de gestelde problemen moeten worden gekwalificeerd als vervolging of ernstige schade. – doordat verweerder desondanks voorwaarde c van toepassing acht, wordt het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechtbank legt als tweede prejudiciële vraag aan het Hof de vraag voor of de rechter, net als bij het controleren van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de afwijzing van een asielverzoek, zo nodig ambtshalve de eerbiediging van het refoulementbeginsel moet controleren. De rechtbank verzoekt het Hof om de vragen in de versnelde procedure te behandelen (PPA) en de rechtbank verzoekt het Hof om deze procedure gevoegd te behandelen met de procedure waarin de rechtbank heden dezelfde prejudiciële vragen heeft gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2025:136). De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof iedere verdere beslissing aan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken