Rb. Den Haag 8 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2728
Staatssecretaris kan in Dublinprocedures ten aanzien van Polen nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stukken en de jurisprudentie waarop de vreemdeling zich beroept, bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Weliswaar blijkt daaruit dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen ernstig onder druk staat en dat soms (ook) advocaten worden geïntimideerd, maar deze vaststelling maakt niet dat alleen al hierom moet worden geoordeeld dat sprake is van dusdanig ernstige tekortkomingen van de asielprocedure dat gevreesd moet worden dat de vreemdeling in Polen een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De vreemdeling heeft geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat Poolse rechters zich vanwege de vrees om onderworpen te worden aan disciplinaire maatregelen of vanwege andere hervormingen, in individuele zaken in strijd met de bepalingen van het Unierecht of verdragen hebben geoordeeld dan wel dat zij op basis van politieke overwegingen in plaats van het recht, recht hebben gesproken Ook is gesteld noch gebleken dat de problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen hebben geleid tot schending van artikel 4 van het Handvest. Evenmin is informatie ingebracht waaruit blijkt dat uitspraken van Poolse rechters in asielzaken door tuchtrechtelijke matregelen van de tuchtkamer, worden teruggedraaid. Gesteld noch gebleken is van disciplinaire maatregelen die zijn opgelegd aan rechters vanwege een uitspraak die zij hebben gedaan in een asiel- of bewaringszaak. De rechtbank betrekt hierbij dat het Hof van Justitie bij uitspraak van 17 december 2020 (ECLI:EU:C:2020:1033) de prejudiciële vragen van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (IRK) heeft beantwoord. Hieruit volgt dat de IRK niet automatisch mag weigeren verdachten naar Polen te sturen om wier overlevering is gevraagd. Het Hof herinnert eraan dat de regeling inzake Europese aanhoudingsbevelen (EAB) op een hoge mate van vertrouwen berust tussen de lidstaten. De toepassing van de regeling inzake het EAB kan slechts worden opgeschort in geval van ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde beginselen, waaronder het beginsel van de rechtsstaat, welke schending door de Europese Raad is geconstateerd. Pas wanneer sprake is van een besluit van de Europese Raad, gevolgd door opschorting door de Raad van de toepassing van kaderbesluit 2002/584 ten aanzien van de betrokken lidstaat, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit gehouden de tenuitvoerlegging van elke door deze lidstaat uitgevaardigde EAB automatisch te weigeren zonder enige concrete beoordeling te verrichten van het reëel gevaar dat de betrokken persoon loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Dergelijke besluiten van de Europese Raad en de Raad liggen er niet ten aanzien van Polen. Dit betekent de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in dit geval de IRK, alvorens tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren, concreet en nauwkeurig moet nagaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van deze persoon alsook de aard van het strafbare feit, zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een reëel gevaar van schending van het door artikel 47 lid 2 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces zal lopen in geval van overlevering. Er bestaat geen concrete aanleiding om aan te nemen dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden. Evenmin heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat in Polen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:179
- Rb. Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11769
- Rb. Den Haag 4 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11096
- Rb. Noord-Nederland 17 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3280
- Rb. Amsterdam 18 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4032
- Rb. Amsterdam 31 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3776
- ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032
- Rb. Den Haag 26 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10607
- Rb. Den Haag 29 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4599
- ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:282
- ABRvS 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164
- EHRM 15 juli 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501
- EHRM 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398
- EHRM 21 december 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896
- EHRM 23 juni 1981, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:586
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:531
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:982
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:1033