Rb. Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11769
Dublin, Polen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, onafhankelijke rechtspraak, effectief rechtsmiddel, artikel 4 Handvest. Eiser voert aan dat de onafhankelijkheid van de Poolse rechters in het geding is vanwege nieuwe Poolse wetgeving (onder meer het nieuwe tuchtrecht). Dit was voor de Europese Commissie ook aanleiding om over te gaan tot meerdere inbreukprocedures. De rechtbank overweegt dat sprake is van een fundamenteel gebrek van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instantie van die lidstaat die bevoegd is in asielprocedures (zie punt 75 arrest L.M.). Dit is echter niet voldoende voor de conclusie dat zwaarwegende en op feiten gebaseerde gronden bestaan dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de onafhankelijkheid van het Poolse Hooggerechtshof en de gewone rechterlijke instanties – zoals de autoriteit die zal beslissen op een beroep tegen een eventuele afwijzing van de asielaanvraag van eiser – niet op directe maar op een indirecte wijze niet gewaarborgd is. Uit de informatie die is ingebracht blijkt verder niet dat Poolse rechters zich vanwege de vrees om onderworpen te worden aan disciplinaire maatregelen of vanwege de andere hervormingen, in individuele zaken in strijd met de bepalingen van het Unierecht of Verdragen hebben geoordeeld dan wel dat zij op basis van politieke overwegingen in plaats van het recht, recht hebben gesproken. De disciplinaire zaken van acht Poolse rechters die door Amnesty International zijn besproken in het rapport van juli 2019 bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Ook is gesteld noch gebleken dat de problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen in andere gevallen reeds hebben geleid tot schendingen van artikel 4 van het Handvest. Daarnaast blijkt uit de informatie die is ingebracht niet dat uitspraken van Poolse rechters in asielzaken door tuchtrechtelijke maatregelen van de tuchtkamer, worden teruggedraaid. Uit dit rapport komt wel naar voren dat tegen enkele rechters, die zich bij de Europese Commissie hebben beklaagd over het nieuwe tuchtrecht of andere hervormingen dan wel die zich in het openbaar daartegen hebben uitgesproken, disciplinaire maatregelen zijn getroffen. In geen van die gevallen was echter sprake van een rechterlijke uitspraak in een asiel- of bewaringszaak. Verder zijn door de Europese Commissie gegeven EU-instrumenten ingezet in dit kader. De instrumenten die zijn ingezet inzake de pensioenregelingen hebben tot een positief resultaat geleid, gelet op de arresten van het Hof (zie onder 5., sub b, van de uitspraak). Niet gesteld noch gebleken is dat Polen zich niet heeft gehouden aan die arresten van het Hof. Voor wat betreft het nieuwe tuchtrecht lopen nog diverse procedures zoals de zaak die bij het Hof ligt, voor arrest, genoemd onder 5., sub c. Mocht het Hof het nieuwe tuchtrecht in het te wijzen arrest in strijd achten met het Europees recht, dan zijn er op voorhand onvoldoende aanwijzingen dat Polen zich niet zal conformeren aan dat arrest. Daar komt bij dat Polen het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en daarmee heeft gegarandeerd het asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Polen uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl