Rb. Den Haag 26 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10607
Eiseres stelt dat er in Polen nieuwe wetgeving is ingevoerd die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht beperkt en dat dit gevolgen zal hebben voor de beoordeling van de asielprocedure door de rechter als deze niet vrij is om onafhankelijk tot een uitspraak te komen. De regering van Polen heeft in 2017 een reeks wetten geïntroduceerd die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten. Twee wetten werden niet van kracht omdat de Poolse president daarover zijn veto heeft uitgesproken. De president ondertekende wel een wet die de pensioenleeftijd van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie verlaagt tot 65 jaar en de Poolse president de discretionaire bevoegdheid verleent om de ambtstermijn van de rechters van de hoogste rechterlijke instantie te verlengen. Deze wet trad in werking in april 2018. De Europese Commissie heeft vervolgens een inbreukprocedure tegen Polen ingeleid. Op 19 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:852) heeft het HvJ-EU Polen in een kort geding dat de Europese Commissie tegen Polen had aangespannen, gelast de toepassing van de wet op te schorten tot aan de uitspraak op de bodemzaak. De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 januari 2019 geoordeeld dat het starten van een artikel 7 procedure (inbreukprocedure) alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt dat sprake is van een uitzonderlijk geval als geoordeeld moet worden dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat het HvJ-EU op 24 juni 2019 uitspraak heeft gedaan inzake de inbreukprocedure tegen Polen. Verweerder heeft in zijn brief van 12 juli 2019 terecht opgemerkt dat uit rechtsoverweging 27-33 van deze uitspraak blijkt dat de Poolse regering de pensioenregeling van de Poolse rechters heeft teruggedraaid, alle nationale bepalingen waar de Europese Commissie zich tegen heeft gekeerd ingetrokken zijn en ook alle gevolgen van deze bepalingen ingetrokken zijn. De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat niet is onderbouwd dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd voor zover een vreemdeling tegen een eventuele afwijzing van de asielaanvraag of maatregel van bewaring wenst op te komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2927
- ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:282
- ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980
- EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606
- ABRvS 20 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ5171
- EHRM 15 juli 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501
- EHRM 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398
- EHRM 21 december 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896
- EHRM 22 juni 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0622JUD001117984
- EHRM 23 juni 1981, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:865
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:127
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:586
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:852
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:325
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:531