Rb. Den Haag 26 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5933
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat eiseres al voor haar vertrek uit Iran weblogs en artikelen met een politieke inhoud schreef. Het begrip “politieke overtuiging” in de zin van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatierichtlijn (alsmede artikel 3.37, eerste lid, onder e, van het VV 2000) moet ruim worden geïnterpreteerd. Verweerder heeft, gelet op de publicatie van artikelen door eiseres na haar vertrek uit Iran op oppositionele websites die een groot bereik hebben en door de Iraanse autoriteiten als vijandig worden beschouwd en nu tussen partijen niet in geschil is dat de Iraanse autoriteiten (hard) optreden tegen personen die zich inzetten voor mensenrechten en vrouwenrechten, onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet (nu al) in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Verweerder kon zich niet beperken tot de motivering dat eiseres, indien zij beschermd wil worden door het vluchtelingenrecht - of meer specifiek - indien zij aangemerkt wil worden als ‘refugié sur place’, allereerst aannemelijk moet maken dat de artikelen zijn geschreven en gepubliceerd op basis van een fundamentele politieke overtuiging. Immers, dat is slechts relevant voor de beantwoording van de vraag of bij terugkeer naar Iran terughoudendheid van haar mag worden verwacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 mei 2020, rechtsoverweging 5.4 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4634). Verweerder heeft tot slot niet deugdelijk gemotiveerd waarom de publicaties van eiseres van na haar vertrek uit Iran niet moeten worden beschouwd als een voortzetting van de overtuigingen of strekkingen die zij in haar land van herkomst aanhing (in de zin van artikel 3.37b, tweede lid van het VV 2000) en waarom eiseres niet behoort tot de risicogroep van personen die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en daarbij significant kritiek uiten op de autoriteiten zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf C2/3.2, bezien in samenhang met paragraaf C7/14.3.2.
De uitspraak op rechtspraak.nl