Rb. Den Haag 21 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3200
In de onderhavige zaak is wegens het niet tijdig stopzetten van het reisrecht een ov-schuld opgelegd. De rechtbank stelt vast dat een nieuw systeem is ingevoerd waarbij technische mogelijkheden bestaan om op individueel niveau per studerende het reisgedrag te monitoren. Ook is sprake van een nieuwe overeenkomst tussen de openbaar vervoersbedrijven en de Minister. Naar verweerder heeft toegelicht in zijn brief van 11 september 2018 ontvangt het vervoersbedrijf op basis van deze nieuwe overeenkomst alleen een vergoeding van de Staat voor studentenreisproducten waar op grond van de Wsf 2000 recht op bestaat. Als er geen recht bestaat op het reisproduct en het product is niet tijdig stopgezet wordt een ov-schuld opgelegd. Tussen de Staat en de vervoersbedrijven is overeengekomen dat de geïncasseerde ov-schulden, minus een bedrag voor de inning voor DUO, worden afgedragen aan de vervoersbedrijven. De ov-schuld is bedoeld als compensatie voor de vervoersbedrijven voor gederfde inkomsten. Doordat studenten ten onrechte hun studentenreisproduct in bezit houden kunnen zij ermee blijven reizen en zullen de vervoerders geen of minder inkomsten ontvangen uit bijv. saldo-reizen of kaartjes die anders gekocht zouden zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres in de van belang zijnde maand(en) haar reisrecht niet heeft gebruikt. Voor zover eiseres al heeft gereisd met het openbaar vervoer is dat gedaan op eigen kosten met haar nieuwe ov-chipkaart. In het geval van eiseres is dus geen sprake van gederfde inkomsten voor het vervoersbedrijf. De oplegging en inning van de ov-schuld, gevolgd door afdracht aan de vervoersbedrijven, dient dan ook niet ter compensatie voor gederfde inkomsten van de vervoersbedrijven en kan daarom niet worden aangemerkt als maatregel gericht op herstel. Dat verweerder c.q. de Staat op grond van een met de vervoersbedrijven gesloten overeenkomst de verplichting op zich heeft genomen om desondanks een deel van de geïnde ov-schuld af te dragen maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank krijgt de opgelegde ov-schuld op grond van het bovenstaande in het onderhavige geval het karakter van een punitieve maatregel. Aan eiseres wordt immers de verplichting opgelegd tot het betalen van € XX op grond van de omstandigheid dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 3.27, lid 1, van de Wsf 2000. De opgelegde ov-schuld dient voorts onmiddellijk te worden betaald en vormt daarmee een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom gericht op bestraffing van de overtreder. Dit maakt dat de opgelegde ov-schuld in wezen als een bestuurlijke boete moet worden gezien. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres slechts sprake van geringe verwijtbaarheid ter zake van het niet tijdig beëindigen van haar reisrecht. De rechtbank zal daarom de ov-schuld verminderen tot een bedrag van € 50.
De uitspraak op rechtspraak.nl