CRvB 1 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:754

Het recht op studiefinanciering van betrokkene is met ingang van 1 september 2018 beëindigd. Betrokkene heeft het reisproduct niet binnen vijf werkdagen daarna stopgezet, maar pas op 4 december 2018, als gevolg waarvan een OV-schuld is ontstaan. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of deze OV-schuld, die betrokkene op grond van artikel 3.27 van de Wsf 2000 aan de minister moet voldoen, een punitief of een reparatoir karakter heeft. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank dat de te late stopzetting van het reisproduct aan haar kan worden toegerekend, welk oordeel overigens door de Raad wordt onderschreven, niet aangevochten. De Raad neemt dat bij de verdere beoordeling dan ook als uitgangspunt. Het systeem rond het recht op het reisproduct en de stopzetting daarvan is sinds de invoering ervan in essentie niet gewijzigd. Uit 4.3.2 volgt dat, anders dan namens betrokkene in hoger beroep is gesteld, geen sprake is van onverschuldigde betalingen door de Staat aan de OV-bedrijven voor geactiveerde reisrechten waarop ingevolge de Wsf 2000 geen recht bestaat. Nu uit wat is overwogen volgt dat de OV-schuld geen punitief karakter heeft, is niet van belang of betrokkene nog gebruik heeft gemaakt van het reisrecht nadat het reisproduct had moeten worden stopgezet, zodat de hierop betrekking hebbende hogerberoepsgrond geen bespreking behoeft. Wat is overwogen betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken