Rb. Den Haag 22 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3008
Doorprocederen, vluchtelingschap, motiveringsplicht, subsidiaire beschermingsstatus verleend, implementatie, Procedurerichtlijn, vluchtelingenstatus, artikel 46 Procedurerichtlijn, expliciete toezegging, geloofwaardigheidsoordeel. De gemachtigde van eiser voert aan dat het instellen van het onderhavige beroep geen “doorprocederen” is. Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat de motivering van het besluit niet deugdelijk is omdat de overweging dat het relaas ongeloofwaardig is, in het geheel niet is gemotiveerd. Ook indien bij eventuele intrekking of niet-verlenging van de thans verleende vergunning kan worden opgekomen tegen het niet verlenen van bescherming op de a-grond, is deze ongemotiveerde overweging het vertrekpunt voor verweerder bij de dan aan de orde zijnde beoordeling van het vluchtelingschap en acht de gemachtigde van eiser het niet aannemelijk dat een beslismedewerker zal terugkomen op het eerder ten tijde van de verleende asielvergunning geformuleerde oordeel over de geloofwaardigheid omdat dat tot gezichtsverlies leidt. De rechtbank overweegt dat de stelling dat het oordeel over het vluchtelingschap niet zal worden heroverwogen op het moment dat verweerder voornemens is tot intrekking of niet-verlenging over te gaan niet is voorzien van een onderbouwing. De gedachte dat door verweerder het terugkomen op een eerder oordeel wordt gezien als gezichtsverlies en dit aan de weg staat aan heroverweging, betreft slechts een aanname van eiser en is ter zitting met kracht door de gemachtigde van verweerder weersproken. Dat het onderhavige oordeel over het vluchtelingschap nimmer zal worden heroverwogen is derhalve niet aan de orde. Voor de implementatie van de herziene Procedurerichtlijn op 20 juli 2015 betekende een inwilliging op de b grond van 29 Vw 2000 een impliciete weigering van de a grond van deze nationale bepaling. In artikel 3.121a, eerste lid, Vb 2000 is thans neergelegd dat verweerder feitelijk en juridisch zal moeten motiveren waarom de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus als subsidiaire bescherming wordt verleend. De grond van eiser dat deze overweging door verweerder uit het besluit zal moeten verwijderd slaagt reeds om deze reden niet. Dit is de implementatie van hetgeen is vastgelegd in artikel 11, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Artikel 32, aanhef en onder c, Vw 2000 is bij de implementatie van de Procedurerichtlijn ongewijzigd gebleven. Nu verweerder de expliciete toezegging heeft herhaald dat eiser het recht behoudt om het niet toekennen van de vluchtelingenstatus aan te vechten in geval de subsidiaire bescherming wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, is er naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk verschil met de situatie van een vreemdeling aan wie voor de implementatiedatum van 20 juli 2015 een subsidiaire beschermingsstatus is verleend. Immers, bij een besluit van verweerder tot intrekking of niet verlenging van de subsidiaire beschermingsstatus (b grond) heeft eiser een daadwerkelijk rechtsmiddel om de weigering van de vluchtelingenstatus (a-grond) aan te vechten. Verder kan op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 46 Procedurerichtlijn het beroep van eiser tegen een beslissing om zijn asielverzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk worden beschouwd omdat hij onvoldoende belang heeft om de procedure voort te zetten indien de aan hen verleende subsidiaire beschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als de vluchtelingenstatus uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht. Niet in geschil is dat de verleningsgronden in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000 dezelfde materiële rechten (en voordelen) hebben.
De uitspraak op rechtspraak.nl