ABRvS 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9103
Bij het op 23 april 2012 genomen besluit is een vergunning verleend op grond van een nieuwe daartoe ingediende aanvraag en op grond van het ten tijde van dat besluit geldende beleid. Met de nieuwe aanvraag is een andere, opvolgende, procedure ingezet ten opzichte van die waarin op 19 januari 2011 hoger beroep is ingesteld. Vervroeging van de ingangsdatum van de op 23 april 2012 verleende vergunning kan met dit hoger beroep derhalve niet worden bereikt. Voor zover de vreemdeling beoogt te betogen dat zijn belang hierin bestaat dat aan hem alsnog en met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van zijn aanvraag van 6 december 2010, om een andere reden dan die waarom de vergunning op 23 april 2012 is verleend, wordt overwogen dat dit, evenals eerder is overwogen in de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2002 in zaak nr. 200105914/1 (AB 2002, 132) en 13 maart 2007 in zaak nr. 200608010/1 (JV 2007/17), ook in dit geval, waarin een nieuwe asielaanvraag is ingewilligd, hangende de geldigheidsduur van deze vergunning geen actueel en concreet belang oplevert dat doorprocederen over een verblijfsvergunning asiel rechtvaardigt. Aldus heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dit laat onverlet dat, zoals eveneens is overwogen in voormelde uitspraak van 28 maart 2002, het belang van de vreemdeling op een later moment actueel kan worden en dat dan de gronden voor verlening aan de orde zullen kunnen worden gesteld, zonder dat hem daarbij wordt tegengeworpen dat het besluit van 14 december 2010 in rechte is komen vast te staan.-
De uitspraak op rechtspraak.nl