Rb. Den Haag 20 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6267
Aan de vreemdeling is subsidiaire bescherming verleend als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De vreemdeling is het daar niet mee eens omdat hij van mening is dat de staatssecretaris hem ten onrechte heeft geregistreerd als zijnde ‘’van onbekende nationaliteit’’. Volgens de vreemdeling had de staatssecretaris hem moeten aanmerken als staatloos. In zijn optiek had hem als staatloos Palestijn afkomstig uit Syrië dan wel vanwege zijn ontduiking van de dienstplicht de vluchtelingenstatus in plaats van de subsidiairebeschermingsstatus verleend moeten worden. Hij stelt zich op het standpunt dat hij als erkend vluchteling en als staatloos geregistreerde in een gunstiger positie komt te verkeren en er daardoor belang bij heeft om door te procederen. De rechtbank legt in deze uitspraak uit waarom zij dit anders ziet en het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 25 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:906
- ABRvS 7 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3385
- Rb. Den Haag 21 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4212
- ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:137
- Rb. Den Haag 22 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3008
- ABRvS 12 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:805
- ABRvS 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9103
- ABRvS 15 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU9167
- ABRvS 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294
- ABRvS 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:945