Rb. Den Haag 20 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6267

Aan de vreemdeling is subsidiaire bescherming verleend als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De vreemdeling is het daar niet mee eens omdat hij van mening is dat de staatssecretaris hem ten onrechte heeft geregistreerd als zijnde ‘’van onbekende nationaliteit’’. Volgens de vreemdeling had de staatssecretaris hem moeten aanmerken als staatloos. In zijn optiek had hem als staatloos Palestijn afkomstig uit Syrië dan wel vanwege zijn ontduiking van de dienstplicht de vluchtelingenstatus in plaats van de subsidiairebeschermingsstatus verleend moeten worden. Hij stelt zich op het standpunt dat hij als erkend vluchteling en als staatloos geregistreerde in een gunstiger positie komt te verkeren en er daardoor belang bij heeft om door te procederen. De rechtbank legt in deze uitspraak uit waarom zij dit anders ziet en het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken