Rb. Den Haag 2 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1004

EU-VIS, Vo 604/2013, claimakkoord, bewijsmiddelen, indirecte bewijsmiddelen, Uitvoeringsverordening, EHRM, I.M. tegen Frankrijk, 2 februari 2012 (nr. 9152/09), HvJ EU, Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (Oostenrijk) van 10 december 2013 (ECLI:NL:XX:2013:274), uitspraak van de Afdeling van 4 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3344), consideransoverweging 19, artikel 27 Vo 604/2013, daadwerkelijk rechtsmiddel, Vo 343/2003, artikel 4 van het Handvest, criteria, harmonisatie van het asielrecht, interstatelijke karakter van de Dublin procedure, oogmerk van snelle allocatie van asielzoekers, zaak Petrosian van 29 januari 2009 (nr. C 19/08, JV 2009/166), ten aanzien van de feiten en het recht, de toepassing van deze verordening, overdrachtsbesluit, rechtsmiddel, uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617), preambule, verantwoordelijke lidstaat, prejudiciële vragen De vraag is nu of in Vo 604/2013 ten opzichte van Vo 343/2003 de rechtsbescherming is versterkt. Immers, ingevolge artikel 27, eerste lid, Vo 604/2013 dient de asielzoeker tegen het overdrachtsbesluit beroep in te kunnen stellen “ten aanzien van de feiten en het recht”. Verder wordt in de considerans (19) overwogen dat juridische waarborgen moeten worden ingebouwd ten aanzien van besluiten tot overdracht en dat “een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking [dient] te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.” In dit geval gaat het om “de toepassing van deze verordening”. Gezien het vorenstaande lijkt de toepassing van Vo 604/2013, waaronder mogelijk ook de criteria voor bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, wel onder de reikwijdte van het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Vo 604/2013 te vallen. Immers, overweging 19 van de considerans bij Vo 604/2013, acht naast een rechtsmiddel ten aanzien van de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, ook een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de toepassing van Vo 604/2013 noodzakelijk. Gelet daarop acht de rechtbank in ieder geval niet aannemelijk dat ook onder Vo 604/2013 alleen tegen een overdrachtsbesluit kan worden opgekomen met een beroep op de aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617). In deze uitspraak is overwogen, kort gezegd, dat de lijn die is ingezet in de uitspraak van 4 september 2014, onder Vo 604/2013 onverkort kan worden voortgezet. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank echter aanleiding om daaraan te twijfelen. Er is niet gebleken van een acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het HvJ-EU een duidelijk antwoord op deze vraag is geformuleerd of dat het antwoord op de vraag kan worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het HvJ-EU in vergelijkbare gevallen. Het arrest Shamso Abdullahi betreft Vo 343/2003 en niet Vo 604/2013. Daarnaast is evenmin gebleken van een acte clair, nu artikel 27 Vo 604/2013 niet dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan. Het houdt partijen immers verdeeld of deze bepaling de rechtspositie van asielzoekers versterkt doordat op grond hiervan de mogelijkheid bestaat om te procederen tegen de criteria als neergelegd in hoofdstuk III van Vo 604/2013. De rechtbank ziet daarom aanleiding het HvJ EU te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1. Hoe ver strekt de reikwijdte van artikel 27 Vo 604/2013, al dan niet in samenhang met overweging 19 in de preambule van Vo 604/2013? Heeft een asielzoeker, in een situatie als deze, waarin de vreemdeling pas na het claimakkoord met de Dublin-claim is geconfronteerd en die vreemdeling na het claimakkoord bewijsstukken overlegt die tot de conclusie kunnen leiden dat niet de aangezochte lidstaat maar de verzoekende lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, en vervolgens de verzoekende lidstaat deze documenten niet onderzoekt noch deze voorlegt aan de aangezochte lidstaat, op grond van dit artikel het recht om een (effectief) rechtsmiddel aan te wenden tegen de toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke staat als genoemd in hoofdstuk III van Vo 604/2013? 2. Is in het geval de vreemdeling onder Vo 604/2013, evenals onder de werking van Vo 343/2003, in beginsel geen beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek om overname, het uitgangspunt van verweerder juist dat dit uitgangspunt slechts uitzondering lijdt in gezinssituaties als bedoeld in artikel 7 van Vo 604/2013, of zijn ook andere bijzondere feiten en omstandigheden denkbaar op grond waarvan de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat? 3. Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat naast gezinssituaties ook andere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat, kunnen de feiten en omstandigheden zoals omschreven in rechtsoverweging 12 van deze uitspraak dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden vormen?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken