Rb. Den Haag 24 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8742

Malta, artikel 5 EVRM, Vo 604/2013, claimakkoord, detentie, valse documenten, rechtsmiddelen, bewaringsmaatregel, ECRI, European Commission against Racism and Intolerance, AIDA, Asylum Information database, ECRE, terugkeer, superintendent Immigration Officer, verboden immigrant, artikel 5 van hoofdstuk 127 van de Maltese wet, uitzettingsbevel, expulsion order, Maltese wetgeving, terugkerende Dublinclaimanten, illegale uitreis, Mifsud Bonnici, artikel 50 Handvest, Pro Asyl, artikel 3 EVRM, interstatelijk vertrouwensbeginsel, EHRM, HvJ EU, UNHCR, Jesuit Refugee Service Europe, Swiss Refugee Council, Suso Musa tegen Malta, Aden Ahmed tegen Malta, systemic failure to provide support or facilities, overcrowded facilities, detentieomstandigheden, indirect refoulement, uitgeprocedeerde asielzoeker, informatieblad, Refugee Appeals Board, artikel 13 EVRM, Louled Massoud tegen Malta, artikel 6 Handvest, laatste redmiddel, subsidiariteitsbeginsel, habeas corpus, Kanagaratnam tegen België, Mikolenko tegen Estland, detentieperiode, vreemdelingendetentie, Immigration Appeals Board, IAB, speedy-trial-beginsel, Samsam Mohammed Hussein en anderen tegen Nederland en Italië, Maltese Immigratiewet, artikel 25A, Procedurerichtlijn, systeemfouten, ontoegankelijke rechtsmiddelen, ontoereikende rechtsbijstand Nu de rechtbank in rechtsoverweging 10. heeft overwogen dat het risico op hernieuwde detentie van eiser bij terugkeer op Malta reëel is en nu de mogelijkheden en toegang voor derdelanders tot de juridische procedures ter bestrijding van hun detentie in Malta structurele tekortkomingen bevat die bij overdracht kunnen resulteren in een schending van artikel 5 EVRM, ziet de rechtbank in casu grond voor het oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich – zoals blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 – er bij overdracht van dient te vergewissen dat de Maltese autoriteiten de eigen wetgeving inzake (vreemdelingen)detentie in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met artikel 5, eerste en vierde lid en artikel 13 EVRM. Hierbij dient ook het relaas van eiser, dat ter illustratie voor het bestaan van systeemfouten bij de (vreemdelinge)detentieprocedure op Malta naar voren is gebracht te worden betrokken, alsmede de informatie – zoals volgt uit voormelde AIDA rapporten van ECRE – over ontoegankelijke rechtsmiddelen en ontoereikende rechtsbijstand. Immers, zonder ingang voor eiser (met hulp van een rechtsbijstandsverlener) tot een procedure ter beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie in de praktijk, is het in de Maltese wetgeving neergelegde rechtsmiddel evenals de mogelijkheid tot klagen bij de (hogere) Maltese autoriteiten of de daarvoor geëigende instanties illusoir. De omstandigheid dat, zoals verweerder aangeeft, uit het AIDA-rapport van mei 2014 en februari 2015 (pagina 30) volgt dat asielzoekers in de praktijk geen grote obstakels ondervinden bij de toegang tot de UNHCR en non gouvernementele organisaties, maakt dit niet anders. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat ook derdelanders die met valse papieren Malta illegaal zijn uitgereisd en die bij terugkeer worden gedetineerd toegang hebben tot een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM dat de wettigheid van de detentie beoordeelt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het beroep van eiser op artikel 5 en 13 EVRM onvoldoende zorgvuldig en in onderlinge samenhang onderzocht, zodat het bestreden besluit op dit punt een voldoende deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken