ABRvS 28 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3788

De voorzieningenrechter is, zo verstaat de Afdeling, de minister gevolgd in zijn standpunt dat de verklaringen van de vreemdelingen over zijn verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten geen betekenis hebben, omdat de vreemdeling zijn gestelde terugkeer naar Afghanistan niet met bewijzen, als bedoeld in bijlage II, lijst A, onder I.9 van de Uitvoeringsverordening, heeft gestaafd. De voorzieningenrechter heeft hiermee echter niet onderkend dat de enkele omstandigheid dat zodanige bewijzen niet zijn overgelegd niet reeds met zich brengt dat de gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker geen betekenis hebben. De Uitvoeringsverordening voorziet immers juist in de mogelijkheid dat een vreemdeling ook aannemelijk kan maken het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden te hebben verlaten met verwijzing naar indirecte bewijzen, zoals dergelijke gedetailleerde en verifieerbare verklaringen. Voorts heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de minister aan voormelde werkgeversverklaring en salarisstroken ten onrechte is voorbijgegaan op de enkele grond dat deze niet uit objectieve bron afkomstig zijn. Immers, voormelde werkgeversverklaring en salarisstroken zijn voldoende concreet om als "andere indirecte bewijzen van dezelfde aard", als genoemd in bijlage II, lijst B, onder I.9 en II.3 van de Uitvoeringsverordening, te kunnen worden beschouwd en, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraak van 19 juni 2009), uit de Uitvoeringsverordening en de daarbij behorende bijlage II valt niet af te leiden dat ten aanzien van indirecte bewijzen van dezelfde aard de eis is gesteld dat dergelijk bewijs uit objectieve bron afkomstig dient te zijn. Het door de vreemdeling gestelde, weergegeven onder 2.6.2., biedt, gezien de gemotiveerde uiteenzetting van de minister, weergegeven onder 2.6.1., onvoldoende grond voor het oordeel dat het standpunt van de minister, dat zich niet een geval voordoet waarbij enkel op basis van de indirecte bewijzen het gestelde verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten aannemelijk gemaakt moet worden geacht en geen aanleiding bestaat voor een nader onderzoek ter zake, de toetsing in rechte niet kan doorstaan, zodat de Afdeling aanleiding ziet met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen