ABRvS 19 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1586
Dublinverordening / Uitvoeringsverordening / drie maanden verblijf buiten grondgebied lidstaten / andere indirecte bewijzen van dezelfde aard / verklaring van vriendin In de in bijlage II, lijst B, onder I.9 en II.3, van de Uitvoeringsverordening gegeven opsommingen van indirecte bewijzen is aan het slot vermeld 'andere indirecte bewijzen van dezelfde aard'. In deze opsommingen zijn 'gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker' alsmede 'rapportage of bevestiging van informatie door gezinsleden, reisgenoten, enzovoort' als indirect bewijs aangemerkt. De verklaringen van [vrouwelijke kennis] zijn voldoende concreet om als 'indirecte bewijzen van dezelfde aard' te kunnen worden beschouwd en als begin van bewijs te dienen. Uit de Uitvoeringsverordening en de daarbij behorende bijlage II valt niet af te leiden dat ten aanzien van 'indirecte bewijzen van dezelfde aard' de eis is gesteld dat het bewijs in dat geval uit een objectieve bron afkomstig dient te zijn en verklaringen van een door de desbetreffende vreemdeling ingebrachte getuige om die reden niet als indirect bewijs kunnen gelden. De staatssecretaris heeft zich derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in de bestreden besluiten van 14 juli 2008 niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt mogen stellen dat de vreemdelingen het door hen gestelde verblijf van drie maanden buiten het Dublingebied onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl