Rb. Den Haag 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12302

Ghezelbash tegen Nederland, beantwoording van de prejudiciële vragen, einduitspraak, overdrachtsbesluit, Shamso Abdullahi tegen Oostenrijk, doeltreffendheid van de rechtsmiddelen, daadwerkelijk rechtsmiddel, Karim tegen Zweden, bewijsmiddelen, bewijskracht, Uitvoeringsverordening, indirecte bewijzen, bijzondere bewijspositie van asielzoekers, toepassing van de criteria in hoofdstuk III van Vo 604/2013, claimakkoord, Frankrijk, Dublinclaim, naspeuringen, overnameverzoek, objectieve bron, authenticiteit, documenten, samenwerkingsverplichting, grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Samenvatting: Gezien het arrest van het HvJ-EU van 7 juni 2016 stelt de rechtbank vast dat eiser in onderhavig beroep kan opkomen tegen de toepassing van de criteria in hoofdstuk III van Vo 604/2013 en dat het feit dat een claimakkoord is afgegeven daaraan niet in de weg staat. In het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, is daarom van belang of Frankrijk door verweerder terecht verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van het asielverzoek. Vast staat dat de Franse autoriteiten eiser toegang tot het grondgebied van de lidstaten hebben verstrekt, zodat Frankrijk op grond van artikel 12, vierde lid, van Vo 604/2013 verantwoordelijk is. Dat is anders als eiser het grondgebied van de lidstaten nadien, en voor het indienen van zijn asielverzoek, heeft verlaten. Voor zover verweerder in zijn reacties een beroep doet op artikel 19, tweede lid, van Vo 604/2013, overweegt de rechtbank dat artikel 19 van Vo 604/2013 niet behoort tot de criteria voor vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat die zijn opgenomen in hoofdstuk III van Vo 604/2013. Dit artikel bevat voorschriften voor het vervallen van een eerder ontstane verantwoordelijkheid. Zoals in de tussenuitspraak overwogen, was eiser ten tijde van zijn verblijf in Frankrijk op 18 december 2013 geen asielzoeker en is het juist de vraag of Frankrijk vanwege het verstrekken van een visum eerder verantwoordelijk is geworden, welke verantwoordelijkheid wordt geregeld door de criteria in Hoofdstuk III, in dit geval artikel 12, vierde lid, van Vo 604/2013. Verweerders verwijzing naar het arrest Karim tegen Zweden kan hem niet baten. In dit arrest heeft het HvJ-EU voor recht verklaard dat een vreemdeling zich in beroep tegen een overdrachtsbesluit kan beroepen op artikel 19, tweede lid, van Vo 604/2013. Uit het voorgaande volgt echter dat artikel 19, tweede lid, van Vo 604/2013 in de voorliggende zaak geen rol speelt. Voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielverzoek dient in dit geval slechts te worden onderzocht of eiser het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, waardoor Frankrijk niet langer verantwoordelijk is. Analoog aan rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 1 maart 2016 van de Afdeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gehouden is bewijsmiddelen en indirecte bewijzen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, aan de Franse autoriteiten over te leggen bij het overnameverzoek, maar dat het in eerste instantie aan verweerder is te beoordelen of van dergelijk bewijs sprake is. In zoverre komt de verzoekende lidstaat het oordeel toe over de bewijskracht van de ingebrachte bewijsmiddelen en indirecte bewijzen. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat zonder nader onderzoek naar de authenticiteit van de overgelegde doktersverklaring en verkoopakte verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. De rechtbank constateert dat verweerder de doktersverklaring en de koopakte niet op authenticiteit heeft laten onderzoeken. De rechtbank overweegt dat de doktersverklaring, waaruit kan blijken dat eiser op 23 januari 2014 een bezoek aan diens artsenpraktijk heeft gebracht in Iran, niet op verzoek van eiser is opgemaakt, maar kennelijk was gericht aan eisers werkgever. Nu een dergelijke doktersverklaring impliceert dat de arts eiser daarbij heeft gezien, vormt dit document, indien authentiek, een onderbouwing voor eisers stelling dat hij na zijn kortstondig verblijf in Frankrijk is teruggekeerd naar Iran. Met betrekking tot de koopakte is, ondanks de door verweerder opgemerkte bevreemdingwekkende passages hierin, niet bestreden dat de overgelegde verkoopakte is opgemaakt op 10 januari 2014 en dat deze mede is ondertekend door eiser. Nu deze verkoopakte niet kan zijn ondertekend voor de opmaak daarvan, zou dit betekenen dat – voor zover het een authentiek document betreft – eiser op of na 10 januari 2014 in Iran is geweest. Ten aanzien van de doktersverklaring en de koopakte kan verweerders motivering derhalve zijn conclusie, dat aan deze stukken geen bewijskracht toekomt, niet dragen. De rechtbank neemt in aanmerking dat het geenszins onmogelijk is om de authenticiteit van de door eiser ingebrachte bewijsmiddelen nader te onderzoeken. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de samenwerkingsverplichting die volgt uit artikel 4 van de Definitierichtlijn, aan verweerder is om dergelijk onderzoek te (laten) uitvoeren, al dan niet door de originele documenten van eiser conform zijn aanbod te laten onderzoeken, of door bijvoorbeeld de contactgegevens en het registratienummer van de arts te verifiëren. Nu dergelijk nader onderzoek is uitgebleven blijft het standpunt van verweerder, dat eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat niet kan worden aangenomen dat hij na inreis in Frankrijk het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, onvoldoende gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken