Conclusie A-G Pauwels 29 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:350

Art. 10e tot en met 10ej Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965; 30%-regeling. Formele rechtskracht. Art. 4:6 Awb. Evidente onredelijkheid. Ingekomen werknemer. Kan met vrucht een nieuw verzoek tot (voortgezette) toepassing van de 30%-regeling worden gedaan voor een andere periode dan die waarvoor eerder een verzoek is gedaan dat is gehonoreerd? Belanghebbenden (Werkneemster en Werkgever) hebben een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling gedaan voor de periode 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020. De inspecteur heeft dat verzoek afgewezen omdat met betrekking tot Werkneemster eerder een beschikking toepassing 30%-regeling (betreffende de tewerkstelling bij haar vorige werkgever) en vervolgens een beschikking voortgezette toepassing 30%-regeling (betreffende de tewerkstelling bij Werkgever) zijn genomen met een looptijd tot en met 28 februari 2019, conform de desbetreffende verzoeken daartoe. Het Hof oordeelt dat de afwijzing van het verzoek juist is: (i) Werkneemster is geen ‘ingekomen werknemer’ ten tijde van de indiening van het derde verzoek; bovendien, (ii) in het wettelijke systeem besloten dat in beginsel slechts één keer - met vrucht - een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling kan worden gedaan, voorziet het UBLB niet in een mogelijkheid tot heroverweging en moet de formele rechtskracht van de oorspronkelijke beschikking in beginsel worden gerespecteerd; (iii) een analoge toepassing van art. 4:6 Awb kan ook niet tot herziening leiden, nu geen sprake is van nova en niet is gebleken dat het weigeren van de herziening evident onredelijk is. A-G Pauwels meent dat het cassatieberoep van belanghebbenden gegrond is. Werkneemster is nog steeds als 'ingekomen werknemer' aan te merken. Het Hof gaat eraan voorbij dat bij een wisseling van werkgever de toets niet is of de nieuwe werkgever de werknemer vanuit het buitenland heeft geworven, maar of de vorige werkgever dat heeft gedaan. Er kan meer dan één keer een verzoek om toepassing van de 30%-regeling worden gedaan. Aan honorering van het derde verzoek staat de formele rechtskracht van de eerdere beschikkingen niet in de weg, nu die toewijzende beschikkingen op een andere periode betrekking hebben. In de verzoeken die ten grondslag liggen aan die eerdere beschikkingen wordt ook niet om een langere looptijd verzocht dan waarvoor die beschikkingen zijn afgegeven. Er is daarom geen aanleiding om aan de formele rechtskracht van die beschikkingen een ruimere reikwijdte te geven. Daarvoor is ook wetssystematische steun te vinden in de omstandigheid dat art. 4:6 Awb niet van toepassing is (de eerdere beschikkingen zijn niet afwijzend).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken