HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946

Ontucht met minderjarige, art. 247 Sr, vertonen van pornografisch materiaal aan minderjarige, art. 240a Sr en seksuele verleiding van minderjarige, art. 248a Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Afwijzing van een bij pleidooi gedaan (voorwaardelijk) verzoek om deskundigenonderzoek naar betrouwbaarheid van verklaringen aangeefsters op de grond dat zo’n onderzoek niet noodzakelijk is. 2. Had hof, gelet op art. 6 EVRM en daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’ ambtshalve moeten overgaan tot oproepen en horen van aangeefsters? 3. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? Ad 1. Hof heeft verzoek afgewezen op de grond dat hof zich door verhandelde ttz. voldoende voorgelicht acht en zo’n onderzoek door deskundige niet noodzakelijk acht. Oordeel is toereikend gemotiveerd. HR neemt daarbij in aanmerking dat aan verzoek ten grondslag is gelegd dat “niet kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefsters” en daarom “een deskundigenonderzoek” moet plaatsvinden, waarop hof heeft uitgelegd op welke andere wijze het, mede aan de hand van andere bewijsmiddelen, betrouwbaarheid van die verklaringen heeft kunnen beoordelen. Hof heeft daarbij o.m. acht geslagen op opgenomen transcriptie van telefoongesprek tussen aangeefster en verdachte, van welk gesprek verdachte heeft erkend dat dit seksuele strekking had en waarin verdachte heeft verklaard dat er “dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen gebeuren” en dat aangeefster slachtoffer is. Ad 2. Hof heeft verklaringen aangeefsters voor bewijs kunnen gebruiken zonder daarmee art. 6 EVRM en daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’ te miskennen. Daartoe is allereerst van belang dat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep door verdachte, die van rechtsbijstand was voorzien, verzoek is gedaan om aangeefsters als getuigen te horen. In deze zaak doet zich dus niet geval voor dat verdachte, ondanks nodige initiatief daartoe, is belemmerd in uitoefening ondervragingsrecht en hem daarom compensatie had moeten worden geboden voor ontbreken ondervragingsgelegenheid (vgl. HR:2021:576). Verder is van belang dat Rb juistheid van verklaringen aangeefsters in het midden heeft gelaten en dat zij vrijspraak van verdachte van tlgd. feiten daarop heeft gebaseerd dat niet zou zijn voldaan aan bewijsminimumvoorschrift van art. 342.2 Sv. Hier doet zich dus niet geval voor dat rechter in h.b. tot oordeel komt over betrouwbaarheid van aan opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige, dat tegengesteld is aan oordeel daarover van rechter in e.a. (vgl. HR:2018:1943). Daarnaast is van belang dat hof in voorliggende zaak uitvoerig heeft gemotiveerd op welke gronden het verklaringen van aangeefsters betrouwbaar oordeelt en waarom het, anders dan Rb, van oordeel is dat verklaringen steun vinden in andere b.m. en dus aan bewijsminimumvoorschrift van art. 342.2 Sv wordt voldaan. In schriftuur genoemde omstandigheid dat hof bij behandeling van zaak in h.b. geen vragen heeft gesteld aan verdachte, vindt zijn verklaring erin dat verdachte niet is verschenen op tz., terwijl gemachtigde raadsman heeft aangegeven dat, als verdachte (na eventuele aanhouding van onderzoek ttz.) wel zou verschijnen, hem dringend zou worden geadviseerd zich te beroepen op zwijgrecht. Ad 3) HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum art. 342.2 Sv. Van schending van art. 342.2 Sv is geen sprake. Hof heeft bewezenverklaring niet telkens uitsluitend aangenomen o.g.v. verklaring één getuige. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken