Conclusie A-G Koopman 1 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1097
Volgorde toepassing heffingskorting en regeling(en) ter voorkoming van dubbele belasting leidt tot onbenutte heffingskorting; is dit in strijd met art. 63 VWEU, art. 1 EP en/of art. 14 EVRM? Deze zaak gaat over een inwoner van Nederland wiens inkomen zo laag is dat hij daarover nauwelijks inkomstenbelasting verschuldigd is, maar ten laste van wie toch een substantieel bedrag aan Belgische bronheffing is ingehouden op dividenden. De ingehouden Belgische bronheffing kan verrekend worden met de Nederlandse inkomstenbelasting. Die verrekening verloopt anders dan wanneer het zou gaan om Nederlandse dividendbelasting. Dit verschil pakt voor belanghebbende nadelig uit. Daarover klaagt hij met een beroep op de vrijheid van kapitaalverkeer neergelegd in art. 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en (in cassatie) een beroep op het discriminatieverbod, neergelegd in art. 14 EVRM en het recht op ongestoord genot van eigendom, neergelegd in art. 1 EP. Het nadeel dat belanghebbende ondervindt, komt mede door de volgorde waarin heffingskortingen en bronheffingen afgetrokken worden. In binnenlandse situaties worden eerst de heffingskortingen afgetrokken van de belasting, en vindt daarna verrekening van dividendbelasting plaats. Buitenlandse bronheffingen worden echter in aftrek gebracht op de belasting vóórdat de heffingskortingen worden afgetrokken. Dit verschil is van belang omdat heffingskortingen niet ‘meegenomen’ kunnen worden naar een volgend belastingjaar en onverrekende bronheffing wel. Nederlandse dividendbelasting wordt zelfs onmiddellijk teruggegeven als er onvoldoende belasting verschuldigd is. Buitenlandse bronheffingen worden dan ‘op de lat geschreven’. Net als bij verliesverrekening geeft de inspecteur dan bij de aanslag een beschikking waarop het in toekomstige jaren nog te verrekenen bedrag aan buitenlandse bronheffing staat vermeld. De A-G zet uiteen hoe naar Nederlands nationaal recht binnenlandse dividendbelasting en buitenlandse bronheffingen verrekend worden bij de heffing van IB/PVV van een particuliere belegger die binnenlandse belastingplichtige is. Vervolgens behandelt de A-G de EU-rechtelijke vrijheid van kapitaalverkeer en de voor deze zaak relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) daarover. Tot slot gaat de A-G in op het discriminatieverbod, neergelegd in art. 14 EVRM en het recht op ongestoord genot van eigendom, gegarandeerd door art. 1 EP. Hierbij gaat de A-G ook in op de vraag of voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan op die verdragsbepalingen. De A-G komt in zijn beschouwing tot de slotsom dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op teruggaaf bij de aanslag voor 2018 van de Belgische bronbelasting alsof het Nederlandse dividendbelasting is. Het recht van de Unie dwingt de lidstaten niet tot daadwerkelijke terugbetaling van door andere lidstaten geheven bronbelastingen. De A-G twijfelt over het antwoord op de vraag of de volgorde van verrekening van heffingskortingen en bronheffingen, anders mag zijn dan de volgorde waarin heffingskortingen en (Nederlandse) dividendbelasting verrekend worden. Als belanghebbende gelijk heeft met zijn stelling dat de andere volgorde van verrekening in grensoverschrijdende situaties een belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer oplevert, dan acht de A-G daarvoor geen goede rechtvaardigingsgrond aanwezig. Verder komt de A-G tot de conclusie dat het beroep op art. 14 EVRM en art. 1 EP belanghebbende niet kan baten. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging een prejudiciële vraag voor te leggen aan het HvJ. De Hoge Raad zou deze zaak samen met de zaken waarin A-G Wattel op 31 maart 2023 concludeerde(1) naar het Luxemburgse hof kunnen sturen, om in algemene zin vragen te stellen over de houdbaarheid van de rechtspraak van het HvJ over de verplichting van woonstaten met betrekking tot het in aanmerking nemen van persoonlijke belastingvoordelen. Indien de Hoge Raad er niet voor kiest de rechtspraak van het HvJ op dit punt ter discussie te stellen zou de aan het HvJ te stellen vraag aldus kunnen luiden: Dient artikel 49 VWEU aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een belastingregeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die tot gevolg heeft dat inwoners van die staat een bepaald belastingvoordeel (de heffingskortingen) in relatief zeldzame gevallen verliezen als gevolg van de omstandigheid dat de door hen verschuldigde inkomstenbelasting eerst wordt verminderd met door een andere lidstaat ingehouden bronbelasting op dividenden, terwijl die inwoners de heffingskortingen wel zouden krijgen indien de bronbelasting zou zijn ingehouden door de lidstaat waarin zij wonen, en is hierbij van belang of de in die staat te betalen belasting al nihil is voordat de heffingskortingen in aftrek zijn gebracht? 1. Conclusies van 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:373, ECLI:NL:PHR:2023:440 en ECLI:NL:PHR:2023:441.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 15 AWR
- Artikel 8:69 Awb
- Artikel 2.7 Wet IB 2001
- Artikel 8.8 Wet IB 2001
- Artikel 25 Bvdb
- Artikel 25a Bvdb
- Artikel 10 Wfsv
- Artikel 285 Wib
- Artikel 14 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 45 VWEU
- Artikel 49 VWEU
- Artikel 63 VWEU
- Artikel 65 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Wattel 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:373
- Conclusie A-G Wattel 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:440
- Conclusie A-G Wattel 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:441
- Conclusie A-G Wattel 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:442
- ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1758
- Rb. Gelderland 20 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6826
- Hof 's-Gravenhage 21 oktober 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1942
- HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8217
- HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9475
- HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6000
- CASS, ECLI:BE:CASS:2017:ARR
- CASS, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201015.1F.6
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1998:221
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:750
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2003:564
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:129
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:446
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:663
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:290