Conclusie A-G Wattel 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:440
Gemeenschappelijke bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:442 Inwoner van België met loon waarover Nederland het heffingsrecht heeft en hypotheekrente in België: (i) kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8 Wet IB 2001? (ii) aftrek hypotheekrenteaftrek op grond van de EU-Schumackerdoctrine? De belanghebbende woonde in 2015 in België en werkte in loondienst in Nederland bij “zijn” BV. Het heffingsrecht over zijn loon was aan Nederland toegewezen. De Belgische fiscale wetgeving gaf hem voor zijn Belgische eigen woning recht op een woonbonus, maar die kon vanwege het verwaarloosbare aan België toegewezen inkomen daar slechts zéérr beperkt worden verzilverd. In geschil is of de belanghebbende daarom voor dat jaar in Nederland aanspraak heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning, hetzij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige ex art. 7.8 Wet IB 2001 (dat vereist dat naar Nederlandse maatstaven nagenoeg het gehele inkomen in Nederland wordt verdiend), hetzij op grond van EU-recht (vrijheid van personenverkeer). Rechtbank Zeeland-West-Brabant: nu de woonstaat België niet in staat is om rekening te houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie, noopt de Schumacker-rechtspraak van het HvJ ertoe dat de werkstaat Nederland dat doet. Of hij te weinig inkomen geniet in de woonstaat, moet worden beoordeeld naar de inkomensmaatstaven van de woonstaat België. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in een bijlage bij zijn uitspraak in een stappenplan uitgewerkt hoe de Schumacker-rechtspraak van het HvJ zijns inziens moet worden begrepen en dat plan toegepast op belanghebbendes geval. Die stappen zijn de volgende: “1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten? Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen. Zo nee, dan volgen de volgende stappen. 2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. 3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen. 4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.” Belanghebbendes geval is op die basis een “klassieke Schumacker-situatie” (stap 1) omdat 90% of meer van zijn wereldinkomen in Nederland – en daarmee buiten zijn woonstaat België – werd verdiend. De werkstaat Nederland is dan volgens het Hof verplicht om rekening te houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, waaronder zijn negatieve inkomsten uit de Belgische eigen woning. In cassatie stelt de Staatssecretaris dat het Hof Nederland ten onrechte gehouden heeft geacht hypotheekrenteaftrek te verlenen, nu de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van art. 7.8 Wet IB 2001. Volgens hem moet het inkomen dat aan België is toegewezen niet worden bepaald naar Belgische maar naar Nederlandse maatstaven, zoals art. 7.8 Wet IB 2001 bepaalt. A-G Wattel meent met Hof ’s-Hertogenbosch dat als de Schumacker-rechtspraak als uitgangspunt wordt genomen, uit die rechtspraak volgt dat de (niet)beschikbaarheid van woonstaatvoordelen beoordeeld moet worden naar woonstaatmaatstaven. Bij zijn conclusie gaat een bijlage waarin de Schumacker-rechtspraak van het HvJ wordt uiteengezet en becommentarieerd. Die rechtspraak is volgens de A-G onverenigbaar met EU-recht doordat zij in strijd met (i) de basisregel van vrij personenverkeer (nationale behandeling van ingezetenen van andere lidstaten), (ii) art. 7(2) Vo. 1612/68 en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en (iii) de overige HvJ-rechtspraak over de EU-Verdragsvrijheden, rechtstreekse fiscale discriminatie van niet-ingezetenen door de bronstaat toestaat en daartegenover ten onrechte de woonstaat verantwoordelijk maakt voor die discriminatie door de werkstaat. Volgens A-G Wattel moet belanghebbendes EU-rechtelijke positie wel degelijk naar Nederlandse (werkstaat) fiscale maatstaven worden beoordeeld, maar op een andere wijze dan de Staatssecretaris voorstaat.’s Hofs stappen 1 t/m 3 moten zijns inziens overgeslagen worden; alleen stap 4 is relevant en vereist: Nederland moet niet-ingezetenen als ingezetenen naar Nederlandse maatstaven belasten alsof zij ingezeten zijn (en hun eigen woning zich in Nederland bevindt) en hen dezelfde evenredige belastingvrijstelling ter voorkoming van internationale dubbele belasting geven als inwoners. Zij krijgen dan automatisch ook een evenredig deel van de Nederlandse tegemoetkomingen, hypotheekrenteaftrek, etc. Het HvJ is in de zaak C-283/15, X. (Spaanse voetbalmakelaar) die correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als er enig inkomen in de woonstaat is onderworpen. Gegeven het – naar Belgische maatstaven – verwaarlossbare in België onderworpen inkomen, kan deze het simpelst afgedaan worden, zoals het Hof heeft gedaan, als klassiek Schumacker-geval, maar de A-G geeft de Hoge Raad in overweging het HvJ verder op de goede evenredigheidsweg te helpen door hem vragen voor te leggen van de volgende strekking: 1. Moet het arrest van het HvJ in de zaak C-283/15, X., ECLI:EU:C:2017:102 (Spaanse voetbalmakelaar), mede gezien (i) de dwingende bepalingen van art. 7(2) Vo. 1612/68 en art. 7(2) Vo. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers en (ii) de zeer aanzienlijke dispariteiten tussen lidstaten bij (a) de grondslagbepaling voor de inkomstenbelasting (zoals in casu een zeer gering Belgisch forfaitair vastgoedinkomen ad € 553 tegenover een Nederlands eigenwoningforfait ad € 7.500 en een in België belast reëel vermogens-rendement ad € 329 tegenover een in Nederland belast fictief vermogensrendement ad € 56.687) en bij (b) de omvang en aard van fiscale voordelen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige (in casu in België een woonbonus ad maximaal € 2.280 tegenover in Nederland een hypotheekrenteaftrek ad € 29.822), aldus uitgelegd worden dat de evenredige inkomensbreukbenadering in dat arrest óók door de bronsta(a)t(en) gevolgd moet worden als de belastingplichtige door de toepassing van het toepasselijke belastingverdrag in zijn woonstaat (in casu België) zeer beperkt is onderworpen aan effectieve belastingheffing en daardoor de Belgische woonbonus slechts zeer beperkt kan verzilveren? 2. Zo neen, tot welke tegemoetkoming verplicht het EU-recht de bronsta(a)t(en) dan wél als de belastingplichtige, zoals in casu, slechts een zeer beperkt deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten omdat zijn aan de woonstaat toegewezen inkomen te laag is om die tegemoetkomingen, zoals in casu de Belgische woonbonus, volledig te absorberen? 3. Is daarbij van belang dat België geen hypotheekrenteaftrek kent zoals in Nederland, waardoor de Belgische en Nederlands tegemoetkomingen in aard en omvang onvergelijkbaar zijn en sprake is van een dispariteit?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 18 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5786
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1992:35
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:403
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:424
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:57
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:148
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:765
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:102