Conclusie A-G Ettema 30 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:714
1 Inhoudsindicatie gemeenschappelijke bijlage 1.1 De drie zaken waar deze gemeenschappelijke bijlage bij hoort, hebben gemeen dat de belanghebbenden (primair) van mening zijn dat hun dienstverlening is vrijgesteld van omzetbelasting op de grond dat zij diensten van schuldhulpverlening verrichten. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat standpunt niet gevolgd (nrs. 20/02581 en 20/02590), het gerechtshof Den Haag wel (nr. 20/03777). 1.2 De belanghebbenden verlenen diensten op het gebied van budgetbeheer en/of inkomensbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering al dan niet met gebruikmaking van wettelijke beschermingsmaatregelen (curatele, beschermingsbewind en mentorschap). Zij treden niet op als bewindvoerder in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling (‘Wsnp-bewindvoerder’)1. 1.3 Op 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van een Wob-verzoek een standpunt van de Kennisgroep Omzetbelasting: Vrijstellingen, Overheid en Landbouwregeling openbaar gemaakt over bewindvoering bij schuldhulpverlening (bindend advies van 21 oktober 2014) inhoudende dat de vrijstelling voor schuldhulpverlening niet van toepassing is op de diensten van de beschermingsbewindvoerder.2 De Kennisgroep acht redengevend dat het doel van beschermingsbewind (slechts) is het stabiliseren van de financiële situatie van de betrokkene en niet het oplossen van de schuldenproblematiek.3 Dat standpunt is het vertrekpunt geweest voor de procedures in deze zaken. 1.4 Voor een goed begrip van de vrijstelling voor schuldhulpverlening, schets ik in onderdeel 2 van deze gemeenschappelijke bijlage allereerst het speelveld van de schuldhulpverlening in Nederland. Ik beoog niet een volledig overzicht van alle aspecten en nuances van het schudhulpverleningsstelsel te geven, maar slechts een algemeen beeld waarmee de werkzaamheden van de belanghebbenden in perspectief kunnen worden geplaatst. Vervolgens bespreek ik in dat onderdeel de wettelijke beschermingsmaatregelen curatele, bewind en mentorschap, die kunnen samenlopen met schuldhulpverlening of die worden ingezet ter uitvoering van schuldhulpverlening en die zijn bedoeld om kwetsbare meerderjarigen4 te beschermen. In onderdeel 3 beschrijf ik het wettelijke kader van de vrijstelling voor maatschappelijk werk en sociale zekerheid in de Btw-richtlijn. Uiteraard behandel ik ook de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling. In onderdeel 4 komen de relevante nationale vrijstellingsbepalingen aan bod. Tot slot onderzoek ik in onderdeel 5 of de belanghebbenden een vrijstelling van omzetbelasting kunnen toepassen. 1 De schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zoals opgenomen in titel III van de Faillissementswet. 2 Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 maart 2016, kenmerk DGB/2016/1066 U. 3 Standpunt van de Kennisgroep van 21 oktober 2014, nr. 14-210-0005, getiteld ‘Omzetbelasting. Artikel 11, lid 1, onderdeel f Wet; Artikel 7 Uitvoeringsbesluit; Bijlage B, post b-33; beschermingsbewind’. Dit standpunt is ingenomen naar aanleiding van een vraag van de inspecteur over de casus van de zaak met nummer 20/02581, zie het verweerschrift in eerste aanleg van de inspecteur, punt 3.9. 4 Ik bedoel daarmee onder meer personen met een verstandelijke beperking, personen met een verslaving aan alcohol of drugs, psychiatrische patiënten, dementerenden en personen met problematische schulden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 284 Fw
- Artikel 285 Fw
- Artikel 287 Fw
- Artikel 287a Fw
- Artikel 288 Fw
- Artikel 293 Fw
- Artikel 296 Fw
- Artikel 314 Fw
- Artikel 316 Fw
- Artikel 320 Fw
- Artikel 349a Fw
- Artikel 8 Wet OB
- Artikel 11 Wet OB
- Artikel 6b Uitv.besch. OB
- Artikel 1:378 BW1
- Artikel 1:380 BW1
- Artikel 1:381 BW1
- Artikel 1:383 BW1
- Artikel 1:390 BW1
- Artikel 1:391 BW1
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 5 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:548
- Rb. Den Haag 29 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6319
- Rb. Gelderland 21 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6613
- Conclusie A-G van Peursem 30 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1434
- Rb. Leeuwarden 22 juni 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX9547
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:390
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:473
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:322
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:348
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:719
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:484
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:716
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:36
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:605
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:811
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:17
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:277
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:18