Conclusie A-G Ettema 28 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:187

Op 1 mei 2016 is het Douanewetboek van de Unie (DWU) in werking getreden. Het DWU vervangt het Communautair douanewetboek (CDW). Hoewel veel bepalingen van het DWU overeenkomen met die van het CDW, zijn er ook verschillen. Zo kent het DWU een verbijzondering van de verjaringsregel van een douaneschuld. De termijn waarbinnen een douaneschuld moet worden meegedeeld, wordt geschorst met de tijd waarin de schuldenaar de gelegenheid krijgt zijn standpunt kenbaar te maken over het voorgenomen besluit een mededeling van een douaneschuld te doen. Daarmee is de termijn voor het mededelen van de douaneschuld een maand langer dan onder de werking van het CDW. In deze conclusie staat de vraag centraal of op een douaneschuld die is ontstaan vóór de inwerkingtreding van het DWU, maar die wordt meegedeeld ná het van kracht worden de nieuwe verordening, de verjaringsregel met inbegrip van de opschorting van de termijn van het DWU moet worden toegepast. Namens belanghebbende is op 4 juli 2013 aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van porseleinen goederen. Aangezien bij de aangifte aanspraak is gemaakt op een preferentieel tarief zijn geen douanerechten geheven. Op 1 juni 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij voornemens is een uitnodiging tot betaling uit te reiken omdat ten onrechte aanspraak is gemaakt op het preferentiële tarief. De reactie moet uiterlijk op 16 juli 2016 zijn ontvangen. Op 18 juli 2016 heeft de Inspecteur de uitnodiging tot betaling uitgereikt. Voor de Rechtbank is in geschil of de uitnodiging tot betaling tijdig is uitgereikt. In het bijzonder is in geschil of de schorsingsregel van artikel 103(3)b DWU van toepassing is. De Rechtbank oordeelt dat een regel van opschorting van de verjaring een verjaringsregel is en daarmee een regel over de douaneschuld zelf. Hieruit volgt dat deze regel een materiële regel is. De Rechtbank oordeelt dat deze bepaling niet van toepassing is op vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities. De uitnodiging tot betaling is verzonden na afloop van de termijn en kan daarom niet in stand blijven, aldus de Rechtbank. Uit het arrest Molenbergnatie (C-201/04) leidt het Hof af dat een bepaling inzake het tenietgaan van de douaneschuld een materieel voorschrift is. Hieruit volgt dat artikel 124(1)a DWU in beginsel geen toepassing kan vinden op de onderwerpelijke douaneschuld, aangezien deze is ontstaan vóór het van toepassing worden van dit artikel. Uit de opzet van de bepalingen van het DWU leidt het Hof af dat artikel 124(1)a DWU ook moet worden toegepast op douaneschulden die zijn ontstaan onder de werking van het CDW. Deze aan het artikel toegekende werking doet echter afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van het Hof is artikel 124(1)a DWU niet van toepassing op de onderwerpelijke douaneschuld. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld. Het middel betoogt dat de schorsingsregel van artikel 103(3)b DWU een procedurele bepaling is die moet worden toegepast op de mededeling van een douaneschuld die is ontstaan vóór 1 mei 2016. Voor het geval artikel 124(1)a DWU en artikel 103(3)b DWU als materiële bepalingen moeten worden aangemerkt, bestrijdt het middel het oordeel van het Hof dat de toepassing ervan in strijd komt met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. A-G Ettema leidt uit de rechtspraak van het HvJ af dat procedureregels in de regel voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen gelden, terwijl de materiële regels doorgaans niet gelden voor rechtsposities die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verworven. Uit een analyse van de rechtspraak leidt de A-G af dat een materiële regel van invloed is op het ontstaan, de hoogte, het tenietgaan en het navorderen van een douaneschuld. Wanneer een voorschrift niet van invloed is op de douaneschuld, gaat het om een procedurele regel. Voor materiële regels geldt als uitzondering dat zij worden toegepast op vóór de inwerkingtreding bestaande situaties als dit uit de bewoordingen, de doelstellingen of opzet van de regels volgt. De A-G meent dat artikel 103(1) DWU, gelet op het arrest Molenbergnatie, een materieel voorschrift is. Nog duidelijker dan voorheen in het CDW is thans in artikel 124 DWU uitdrukkelijk voorgeschreven dat een douaneschuld teniet gaat wanneer deze niet meer overeenkomstig artikel 103 DWU kan worden meegedeeld. Daaruit volgt dat laatstgenoemde bepaling materiële werking heeft. Volgens de A-G kan uit de bewoordingen, de opzet of de doelstellingen van artikel 103(3)b DWU niet worden opgemaakt dat deze bepaling met terugwerkende kracht moet worden toegepast. De uitzondering die geldt voor de toepassing van materiële regels is daarom niet van toepassing. Indien toch moet worden geoordeeld dat artikel 103(3)b DWU voldoet aan de uitzondering is de A-G van mening dat deze bepaling niet kan worden toegepast op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties omdat het rechtszekerheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel daaraan in de weg staan. Volgens de A-G faalt het middel en zij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken