Rb. Noord-Holland 9 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:4481

MK Douane. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen bewijsmiddelen op grond van artikel 366, tweede lid, van de UCDW heeft overgelegd die aantonen dat de regeling communautair douanevervoer als beëidigd moet worden beschouwd. Nu voor beide T1-aangiften niet is aangetoond dat de goederen zijn aangebracht bij het douanekantoor van bestemming en bovendien niet bekend is waar zich de eerste onregelmatigheid heeft voorgedaan die moet worden aangemerkt als de onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW, is de douaneschuld op grond van artikel 215 van het CDW in Nederland ontstaan. Dit geldt ook voor de belastingschuld voor de omzetbelasting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken