Conclusie A-G IJzerman 28 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1012

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of sprake kan zijn van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de Verordening nu de auto strafrechtelijk fout geparkeerd stond, met één wiel deels op het trottoir. Naheffing en parkeervergunning. Vormverzuim van geen behandeling ter zitting en zin van verwijzing ter zake. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 11 december 2020, nr. BK-20/00595, inzake de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen voor het op 18 mei 2019 parkeren in de gemeente Delft zonder parkeerbelasting te hebben betaald. Belanghebbende bestrijdt dat hier sprake was van (fiscaal) parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Daaraan zou in de weg staan dat de auto, omdat die met (een deel van) één wiel deels op het trottoir stond, strafrechtelijk fout geparkeerd stond, hetgeen volgens belanghebbende weliswaar kan leiden tot een strafsanctie, maar niet tot de constatering van (fiscaal) parkeren. Rechtbank en Hof hebben belanghebbende daarin niet gevolgd. In cassatie komt belanghebbende op tegen die beoordeling en enkele overige oordelen, onder aanvoering van zes middelen. De A-G is het niet eens met het door belanghebbende gehanteerde uitgangspunt dat elk strafrechtelijk onjuist parkeren eraan in de weg zou staan dat terzake van dat parkeren parkeerbelasting kan worden geheven. Heffing van parkeerbelasting is slechts mogelijk waar het gaat om parkeren op een plaats waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Daarmee is in overeenstemming dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling van parkeerbelasting, als regulerende heffing, geen betrekking heeft op plaatsen waar parkeren verboden is. Bijgevolg resteert voor dergelijke plaatsen de strafrechtelijke handhaving. Volgens de A-G is alleen in zoverre samenloop wettelijk verboden. Hoewel belanghebbende in het onderhavige geval zijn auto op een verboden wijze heeft neergezet, stond die wel degelijk op een plek waar parkeren niet verboden is. Dan is hier volgens de A-G de grondslag aanwezig voor de heffing van parkeerbelasting en is aldus voldaan aan de eisen van het legaliteitsbeginsel. Belanghebbende onderscheidt twee vormen van parkeerbelasting. Een belasting voor het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens de belastingverordening te bepalen plaats, tijdstip en wijze (de a-belasting) en een belasting voor een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze (de b-belasting). Voor de a-belasting moet de belasting voldaan worden door parkeerapparatuur in werking te stellen en de b-belasting door te betalen voor een parkeervergunning. Aldus belanghebbende. Vast staat dat belanghebbende zijn voertuig heeft laten staan in een gebied voor vergunninghouders zonder vergunning. Evenmin was belanghebbende in het bezit van een dagvergunning ad € 29,50. Het betoog van belanghebbende houdt in dat de Heffingsambtenaar hier niet bevoegd was tot het naheffen van parkeerbelasting. De naheffingsbevoegdheid op grond van artikel 234 van de Gemeentewet zou alleen bestaan als sprake is van een a-belasting en dat is hier volgens belanghebbende niet aan de orde. De A-G is dat niet met belanghebbende eens, omdat uit de toepasselijke regelgeving volgt dat een parkeerder die geen vergunning heeft, de parkeerbelasting moet voldoen door betaling. Belanghebbende heeft verder geklaagd over de buitensporig hoog geachte parkeertarieven in de Verordening. Het hanteren van een vast uurtarief ongeacht de precieze duur van het parkeren, acht belanghebbende in strijd met artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet. Ook stelt belanghebbende dat hij door een uurtarief ad € 29,50, geconfronteerd is met een buitensporig zware last. De A-G meent echter dat de gemeente Delft aldus niet is getreden buiten haar ruime beoordelingsmarge en dat hier geen sprake is van een tariefstelling die buitenproportioneel te achten is. Ten slotte klaagt belanghebbende er over dat de gang van zaken bij het Hof in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het Hof had niet zonder toestemming van belanghebbende op eigen initiatief de geplande mondelinge behandeling drie dagen van tevoren mogen annuleren. Daarnaast had het Hof belanghebbende moeten toelaten om een nader stuk in te dienen naar aanleiding van het te verwachten arrest van 11 december 2020. In het licht van de toepasselijke regelgeving heeft belanghebbende hier volgens de A-G wel een punt. Anderzijds meent de A-G dat de voorliggende rechtsvragen thans in cassatie kunnen worden beantwoord in de door de A-G voorgestane zin, zodat daarvan uitgaande na verwijzing niet tot een andersluidende beslissing in het materiële geschil zou kunnen worden gekomen dan de beslissing van het Hof. Daarom bepleit de A-G om redenen van proces-economie hier cassatie en verwijzing vanwege het vormverzuim achterwege te laten. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken