Hof Den Haag 16 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1773
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 29,50. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag aan belanghebbende is opgelegd, en meer in het bijzonder of de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse voldoende kenbaar was en of de vaststelling van het tarief per 60 minuten op een even hoog bedrag als het 24-uurstarief proportioneel is. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Wel is in hoger beroep tussen partijen vast komen te staan dat wel degelijk een parkeerautomaat nabij het voertuig stond. De stelling van belanghebbende dat weliswaar ter zitting van het Hof is komen vast te staan dat en hoe de bebording is aangepast, maar dat deze nog immer onduidelijk (te kleine borden) en onvoldoende kenbaar is, kan hem niet baten. Van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich, alvorens zijn voertuig te parkeren, vergewist van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Dit geldt eens te meer nu vaststaat dat belanghebbende bij het inrijden van de straat de parkeerautomaat op de hoek van de straat is gepasseerd en hij op een zodanig korte afstand van die parkeerautomaat zijn voertuig heeft geparkeerd dat het op zijn weg had gelegen onderzoek te doen naar de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het Hof is van oordeel dat de gemeente niet buiten haar ruime beoordelingsmarge is getreden door, in het kader van de parkeerregulering, verschillende tarieven voor verschillende gebieden vast te stellen. De hoogte van het tarief van € 29,50 acht het Hof niet van redelijke grond ontbloot en niet buitenproportioneel.
De uitspraak op rechtspraak.nl