Conclusie A-G IJzerman 29 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:873

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of een belanghebbende in de bezwaarfase recht heeft op toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Eisen te stellen aan een verzoek om te worden gehoord. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00701, ECLI:NL:GHAMS:2021:4081. Aan belanghebbende is voor het op 27 mei 2019 parkeren van zijn auto zonder daarvoor parkeerbelasting te hebben betaald, een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Amstelveen opgelegd ten bedrage van € 61,05. In zijn bezwaarschrift daartegen heeft belanghebbende geen verzoek om te worden gehoord opgenomen. Als reden van het bezwaar wordt in het bezwaarschrift genoemd dat belanghebbende geen gebruik maakte van de rijbaan. Verder is in het bezwaarschrift het verzoek opgenomen om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. Belanghebbende kondigt aan: Na het ontvangen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, doe ik u de (nadere) gronden toekomen. De Heffingsambtenaar heeft echter direct uitspraak gedaan tot handhaving van de naheffingsaanslag, zonder de gevraagde toezending van stukken en zonder belanghebbende te horen. Het Hof heeft, met bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, de Heffingsambtenaar in het gelijk gesteld. Het Hof heeft daartoe overwogen dat op grond van artikel 7:4, lid 2 van de Awb het bestuursorgaan verplicht is het bezwaarschrift en verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen. Het bestuursorgaan is volgens het Hof niet in algemene zin verplicht in de bezwaarfase de stukken van het geding aan de belanghebbende toe te sturen. In de bezwaarfase geldt ter zake van de op de zaak betrekking hebbende stukken slechts een (passief) inzagerecht, en wel in het kader van het hoorgesprek, aldus het Hof. Verder was de Heffingsambtenaar volgens het Hof niet gehouden belanghebbende op grond van onderdeel 9 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) en in afwijking van artikel 25 van de AWR in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het BFB is immers slechts verbindend voor de Rijksbelastingdienst en niet voor gemeentelijke heffingsambtenaren. Dit betekent dat de Heffingsambtenaar aan de hand van het bezwaarschrift kon beslissen. Voorts is het Hof gekomen tot het oordeel dat het betoog van belanghebbende dat de Heffingsambtenaar was gehouden het verzoek om toezending van de stukken van het geding op te vatten als een verzoek om te worden gehoord, op een onjuiste lezing van artikel 7:4 van de Awb berust. Gezien de feitelijke situatie laat het Hof de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand. De auto stond nagenoeg geheel in het parkeervak, waardoor volgens het Hof redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het belastbare feit parkeren in de zin van de artikelen 1, onder a en 2, onder a van de Verordening Parkeerbelastingen Amstelveen 2019. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen de uitspraak en beoordeling van het Hof, onder aanvoering van vier cassatiemiddelen, die volgens de A-G alle falen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken