Conclusie A-G IJzerman 28 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1011

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of sprake kan zijn van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de Verordening parkeerbelastingen, nu belanghebbende strafrechtelijk fout geparkeerd stond, omdat zijn auto met twee wielen buiten het parkeervak stond op het trottoir. Het gaat om het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2020, nr. BK-20/00325. Aan belanghebbende is voor het op 23 mei 2019 parkeren van zijn auto zonder daarvoor parkeerbelasting te hebben betaald, een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd. Belanghebbende bestrijdt dat hier sprake was van (fiscaal) parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de Verordening parkeerbelastingen 2008 van de gemeente Den Haag. Daaraan zou in de weg staan dat de auto strafrechtelijk fout geparkeerd stond, hetgeen volgens belanghebbende weliswaar kan leiden tot een strafsanctie, maar niet tot de constatering van (fiscaal) parkeren als voornoemd. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat zijn auto geparkeerd stond met twee wielen op het trottoir waardoor geen sprake meer was van fiscaal parkeren maar van een zogeheten Mulder-feit. De Rechtbank heeft echter overwogen dat het enkele feit dat de auto met twee wielen deels op het trottoir geparkeerd stond niet leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van parkeren in de zin van de Verordening. Belanghebbende heeft zijn auto immers geparkeerd op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats en wel op een zodanige wijze dat daar niet door een andere weggebruiker kon worden geparkeerd, hetgeen maakt dat verweerder ter zake van het parkeren heffingsbevoegd is. De Rechtbank, daarin gevolgd door het Hof, is daarom van oordeel dat belanghebbende geparkeerd stond op een fiscale parkeerplaats en parkeerbelasting verschuldigd was. Dit oordeel wordt door belanghebbende in cassatie bestreden. De A-G begrijpt de stelling van belanghebbende aldus dat elk strafrechtelijk onjuist parkeren eraan in de weg zou staan dat terzake van dat parkeren parkeerbelasting kan worden geheven. De A-G maakt uit de oordelen van het Hof en de Rechtbank op dat vaststaat dat de auto met twee wielen deels op het trottoir geparkeerd stond. Ingevolge artikel 10 van het RVV 1990 is het verboden om het trottoir te gebruiken voor het parkeren van een motorvoertuig. Dat betekent dat belanghebbende heeft gehandeld in strijd met dat verbod. Daarmee kan, naar het de A-G voorkomt, als vaststaand worden aangenomen dat hier sprake is van een strafrechtelijke overtreding. De A-G is het echter niet eens met het kennelijk door belanghebbende gehanteerde uitgangspunt dat elk strafrechtelijk onjuist parkeren eraan in de weg zou staan dat terzake van dat parkeren parkeerbelasting kan worden geheven. Heffing van parkeerbelasting is ingevolge artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet slechts mogelijk waar het gaat om parkeren op een plaats waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Daarmee is in overeenstemming dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling van parkeerbelasting, als regulerende heffing, geen betrekking heeft op plaatsen waar parkeren verboden is. Bijgevolg resteert voor dergelijke plaatsen de strafrechtelijke handhaving. Volgens de A-G is alleen in zoverre samenloop wettelijk verboden. Deze benadering lijkt de A-G in overeenstemming met de doelstelling van de parkeerbelasting als een instrument om te komen tot een ordelijke regulering van het parkeren in een gemeente op daartoe door het college aangewezen parkeerplaatsen. Hoewel belanghebbende zijn auto op een verboden wijze heeft neergezet, stond die wel degelijk op een plek waar parkeren niet verboden is. Nu belanghebbende zijn auto geparkeerd heeft op een door de gemeente als zodanig, krachtens haar bevoegdheid, aangeduide parkeerplaats is hier volgens de A-G – gemeten naar de letter en de ratio – de grondslag aanwezig voor de heffing van parkeerbelasting. Daaraan kan, naar het de A-G voorkomt, niet afdoen dat de auto met twee wielen deels op het trottoir stond. Overigens, nu er in een geval als dit geen sprake is van verboden samenloop, houd de A-G het voor mogelijk dat ter zake ook sprake is van een strafrechtelijke overtreding die kan worden bestraft (Mulder feit). De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken