Conclusie A-G Wattel 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1044
Uitgelokte naheffingsaanslagen parkeerbelasting in samenwerking tussen gemachtigde en belanghebbende, op basis waarvan een veelheid van procedures wordt gestart waarin om dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen, proceskostenvergoedingen en vergoedingen wegens immateriële schade door overschrijding van termijnen wordt gevraagd. Misbruik van procesrecht? Feiten: De belanghebbende heeft twee auto’s waarmee hij structureel en opzettelijk op allerlei plekken deels op een betaald-parkeren-plaats parkeert en deels op de stoep. Hij doet dat naar hij zegt omdat hij geen zin heeft om parkeerbelasting te betalen. Dat is onbegrijpelijk, nu hij immers wel degelijk grotendeels op een betaald-parkeren-plaats parkeert en zich bovendien blootstelt aan foutparkeerboeten. De verklaring voor zijn gedrag en standpunt is dat zijn met hem samenspannende gemachtigde art. 225(2) Gemeentewet heeft gelezen waarin staat dat parkeren is het doen of laten staan van een voertuig op voor openbaar verkeer openstaande plekken waar dat niet is verboden. Op basis van de stelling dat deels verboden parkeren daarom geen betaald parkeren is, lokken zij tientallen procedures uit met het oog op het verkrijgen van dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen, proceskostenvergoedingen en vergoedingen van veronderstelde immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het Hof overwoog in navolging van de Rechtbank dat de bevoegdheid om beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt (art. 3.13 en art. 3.15 BW) en dat voor niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel wegens misbruik zwaarwichtige gronden vereist zijn, zoals zodanig evident gebruik zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe die middelen gegeven zijn, dat dat gebruik blijk geeft van kwade trouw. Een vast patroon van handelen kan leiden tot constatering van misbruik, evenals het ontbreken van een aanvaardbare verklaring voor een gekozen handelwijze. De belanghebbende heeft stelselmatig naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitgelokt, nu hij en zijn gemachtigde een veelheid aan procedures starten waarbij zij een format uitrollen van gelijkluidende beroepsgronden en bezwaar- en beroepschriften, waarbij steeds uitstel van betaling wordt gevraagd, geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald en elke overschrijding van een beslistermijn leidt tot ingebrekestelling en een verzoek om dwangsomvergoeding. Hoewel al hun inhoudelijke beroepsgronden ongegrond worden verklaard, zetten zij alle procedures onverkort door. Het Hof constateerde dat de Hoge Raad in HR BNB 2022/77 in één van de vele identieke sjabloonprocedures van deze belanghebbende en gemachtigde duidelijk heeft gemaakt dat parkeerbelasting (uiteraard) ook verschuldigd is als een auto slechts deels is geparkeerd op een voor betaald parkeren aangewezen plaats. Desondanks heeft de belanghebbende de hogere beroepen niet ingetrokken, maar in alle zaken doorgeprocedeerd, nog steeds stellingen innemende die al ongegrond zijn verklaard. Hieruit blijkt volgens het Hof dat het de belanghebbende niet (meer) kan gaan om een oordeel over het standpunt dat geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn en deze omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en er stelselmatig tegen procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten in de vorm van proceskostenvergoedingen, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen. Ook de kennelijke no cure, no pay basis van werken kan volgens het Hof een aanwijzing zijn voor misbruik van procesrecht. Het Hof concludeert dat het niet om een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke relatie tussen belanghebbende en gemachtigde gaat, maar om een samenwerkingsverband gericht op het genereren van inkomsten, waarbij de vraag of de aangevochten naheffingsaanslagen vernietigd worden, van ondergeschikt belang is. Het Hof achtte zodanig evident dat de bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen in alle zaken zonder redelijk doel is gebruikt dat kwade trouw is gebleken. De belanghebbende stelt in cassatie dat het Hof ten onrechte misbruik van procesrecht heeft aangenomen omdat (i) gemakshalve is gekozen voor een algemene volmacht, (ii) de wijze van parkeren vrijstaat voor belanghebbende als weggebruiker, (iii) het feit dat het om vele procedures gaat niet meebrengt dat sprake is van misbruik, (iv) strak op de beslistermijnen zitten geen misbruik is, (v) de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat civielrechtelijke rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de invorderingshandelingen, (vi) als er al misbruik is, dat misbruik niet kan worden aangenomen bij de rechtsmiddelen tegen invorderings-handelingen, en (vii) er geen no cure, no pay afspraken zijn gemaakt. Ook heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de naheffingen zijn uitgelokt. De keuze om op karakteristieke wijze te parkeren, telkens in strijd met een bepaling uit het RW1990, is juist ingegeven om géén naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd te krijgen en in het handelen van de belanghebbende en de gemachtigde kan immers geen verdienmodel liggen als een naheffingsaanslag rechtmatig is opgelegd. De belanghebbende kan niet vooraf weten of heffings- en invorderingsambtenaren onrechtmatig handelen door beslistermijnen te negeren of onterecht vervolgingskosten in rekening te brengen hoewel is verzocht om uitstel van betaling. Ook voor de invorderingsprocedure geldt dat geen kostenvergoeding, dwangsom of schadevergoeding verkrijgbaar is als alles tijdig en rechtmatig verloopt. Ook daarin zit dus geen (voorzienbaar) verdienmodel. De belanghebbende acht tenslotte niet relevant – gelet op het forfaitaire systeem – of hij er al dan niet financieel beter van wordt. A-G Wattel meent dat wat er zij van de pleitbaarheid van dit standpunt vóór het wijzen van HR BNB 2022/77, ná het wijzen ervan geen twijfel meer mogelijk is dat het evident kansloos is. Evidente kansloosheid van de eis is, als het ook voor de eiser zelf duidelijk moet zijn dat zijn eis kansloos is, grond voor het oordeel dat misbruik van procesrecht wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van rechtsmiddelen evident voor andere doelen dan waarvoor zij gegeven zijn. Het Hof heeft volgens de A-G voorbeeldig gemotiveerd geoordeeld dat uitgesloten moet worden geacht dat het de belanghebbende nog zou kunnen gaan om een rechterlijk oordeel over zijn reeds verworpen standpunt en dat de vastgestelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat hij naheffingsaanslagen parkeerbelasting uitlokt en daartegen stelselmatig procedeert met geen ander doel dan het genereren van inkomsten uit publieke middelen. De A-G merkt op dat het bij het vaststellen van misbruik van procesrecht vooral gaat om een elephant test (moeilijk te omschrijven, maar als je er een ziet, herken je hem meteen). Hij meent dat de olifant, gegeven ’s Hofs feitelijke vaststellingen, zich in casu wel heel prominent en onmiskenbaar in zowel het gezichtsveld als de kamer bevindt. Hij acht het cassatieberoep dus ongegrond. Een vergelijkbaar geval van structurele samenspanning tot misbruik van procesrecht tussen gemachtigde en belanghebbenden bij een groot aantal procedures met het oog op een parasitair verdienmodel - in dat geval misbruik van WOB-verzoeken - was voor de Afdeling (ABRvS AB 2018/291) voldoende grond om in te stemmen met de weigering van die gemachtigde als procesvertegenwoordiger (art. 2:2 Awb). De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging de gemachtigde mee te delen dat als hij nog eens langs komt met een van zijn vele samen met de belanghebbende uitgelokte sjabloon-zaken waarvan de kansloosheid evident is, hij ex art. 8:25 Awb voor een aan te geven periode zal worden geweigerd als gemachtigde in cassatie, uiteraard naast niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens cassatieberoep wegens misbruik van procesrecht. Verder geef de A-G de Hoge Raad in overweging om de heffings- en invorderingsambtenaren van de betrokken gemeenten uit te nodigen te berichten welke kosten zij hebben moeten maken in verband met de behandeling van de bezwaren, de beroepen, de hogere beroepen en de cassatieberoepen in deze zaken en de belanghebbende wegens diens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht van ambtswege op basis van art. 7:15(1) Awb te veroordelen tot vergoeding van die kosten, al dan niet volgens een te bepalen forfait per bestuursorgaan en per rechterlijke instantie. Conclusie: cassatieberoep ongegrond; belanghebbende veroordelen in de proceskosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8799
- Rb. Noord-Holland 11 augustus 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7928
- Hof 's-Hertogenbosch 25 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:256
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:674
- Rb. Oost-Brabant 27 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5684
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4701
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4705
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4708
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4710
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4712
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4716
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4717
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4720
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4729
- Rb. Noord-Nederland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4730
- Rb. Noord-Nederland 5 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4718
- Rb. Gelderland 2 december 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:7067
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10316
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10323
- Hof Amsterdam 22 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3722