Rb. Noord-Nederland 3 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4197
In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor het jaar 2012. Meer specifiek gaat het om de periode 1 juli 2012 tot 31 december 2012. Omdat eiser vanaf 1 juli 2012 voor een Cypriotische werkgever werkzaam is, moet het op hem toepasselijke socialezekerheidsrecht voor de periode vanaf 1 juli 2012 bepaald worden aan de hand van de aanwijsregels van Vo 883/2004. Omdat eiser stelt dat - in afwijking van hetgeen uit het Nederlandse wetgeving volgt - de Nederland socialezekerheidswetgeving niet op hem van toepassing is, rust op hem de bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaruit dat volgt. Eiser moet daarom aannemelijk maken dat hij minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht. Eiser slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser met de afschriften van een vaartijdenboek dat ziet op het jaar 2013, en zijn eigen verklaring dat voor 2012 eenzelfde vaarbeeld geldt, niet aannemelijk dat hij in 2012 minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht. De rechtbank oordeelt vervolgens dat er in eisers geval artikel 73 van Vo 987/2009 geen rechtsgrond biedt voor verrekening van op zijn Cypriotische loon ingehouden premies met de Nederlandse premieheffing. Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Cypriotische werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB. De rechtbank oordeelt dat alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Cypriotische werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden. Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is dus geen grond voor verrekening van de door de Cypriotische werkgever ingehouden premies. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding omdat de (beroeps)procedure te lang heeft geduurd. De immateriële schadevergoeding bedraagt € 3.500. Dat gemachtigde van eiser in de bezwaarfase meerdere malen uitstel heeft verzocht voor het motiveren van het bezwaarschrift is in dit geval geen reden voor het verlengen van de redelijke termijn. Enkele de instemming van eisers gemachtigde met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de redelijke termijn wordt verlengd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1574
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1237
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1238
- HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1244
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:237
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:238
- Conclusie 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:239
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:499
- Conclusie A-G Wattel 7 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:511
- Hof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3400
- Hof Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3767
- CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817
- CRvB 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660