Hof Den Haag 29 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1884

Rijnvarende met in Luxemburg gevestigde werkgever. Premieplicht voor de volksverzekeringen in 2013 en 2014. Artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Inspecteur om de verzekeringsplicht vast te stellen. De Inspecteur heeft de procedure van artikel 16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 voor toepassing van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet geschonden, aangezien het i.c. niet gaat om toepassing van laatstbedoelde bepaling. Evenmin is in dat verband sprake van schending van het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VWEU). Aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106-verklaring kan geen betekenis worden toegekend. Belanghebbende zal indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe volgens de in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 987/2009 beschreven procedure een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Luxemburg. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om ten aanzien van hem voorheffingen in aanmerking te nemen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken