Conclusie A-G IJzerman 25 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:177

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of een geïmporteerde auto waarmee nauwelijks gereden was, nog als ‘nieuw’ moet worden aangemerkt gezien de bij het transport ontstane schade. Het gaat om het beroep in cassatie van [X] h.o.d.n. [A], belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5721. Ingevolge artikel 10 van de Wet BPM wordt voor een ‘gebruikte personenauto’ een bepaalde vermindering op de verschuldigde BPM toegepast. Voor nieuwe auto’s is wettelijk niet voorzien in enige vermindering ten opzichte van de in aanmerking te nemen catalogusprijs. In casu is de auto over de weg getransporteerd van Oostenrijk naar Nederland. Ten tijde van de registratie in het Nederlandse kentekenregister had de auto een kilometerstand van minder dan 22. Bij het transport van de auto naar Nederland is schade aan de voorzijde van de auto ontstaan. Het gaat om schade als gevolg van het transport. Door die transportschade en de daardoor opgeroepen herstelkosten is de economische waarde van de auto gedaald. In de aangifte BPM is belanghebbende in verband daarmee uitgegaan van een gebruikte auto en heeft op basis daarvan een vermindering toegepast volgens artikel 10 van de Wet BPM. De Inspecteur gaat daarentegen uit van een nieuwe auto, waarvoor als zodanig geen recht bestaat op vermindering. Dit heeft geleid tot oplegging van de onderhavige naheffingsaanslag. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de auto is aan te merken als een ‘gebruikte’ auto, omdat het aannemelijk is dat de auto zich eerder in een concurrentieverhouding bevindt met tweedehands auto’s dan met ‘echte’ nieuwe auto’s (zonder herstelde schade). Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat sprake is van een nieuwe auto, omdat deze nauwelijks op de weg was gebruikt. Voor een nieuwe auto bestaat geen recht op een vermindering. Er is hier volgens het Hof geen schending van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU, aangezien een soortgelijk voertuig op de binnenlandse markt bij de berekening van de verschuldigde BPM ter zake van de registratie in het kentekenregister evenmin in aanmerking komt voor een vermindering. Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen die oordelen. De A-G zou de benadering van de Rechtbank willen aanmerken als meer gericht op een economisch reëel eindresultaat. Wat het Hof daarentegen heeft gedaan is volgens de A-G te zien als het stapsgewijs volgen van de wet, met inachtneming van bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat leidt ertoe dat de auto, wegens een zeer gering aantal gereden kilometers, als nieuw is aangemerkt. De consequentie hiervan is dat wettelijk niet is voorzien in enige korting op de in aanmerking te nemen catalogusprijs. De A-G merkt op dat het in lijn is met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat van een ‘nieuwe’ auto sprake is indien daarmee niet of nauwelijks gereden is ten tijde van de registratie. Het gaat daarbij om de mate van gebruik van de auto. Verder wijst de A-G erop dat het wettelijke uitgangspunt van het baseren van de heffing op de cataloguswaarde wel efficiënt is voor de uitvoering van de Wet BPM, maar op zichzelf al niet realistisch is. De in feite voor nieuwe auto’s betaalde bedragen liggen vaak onder de catalogusprijs. De markt wil een bepaalde speelruimte hebben. Het is volgens de A-G ook maar de vraag hoe de in feite gerealiseerde in- en verkoopprijzen zich zullen verhouden tot de vrij forfaitaire benaderingen van catalogusprijs en vermindering ingevolge de Wet BPM. De in feite gerealiseerde transactieprijzen zijn anders dan waarvan de Wet BPM uitgaat als forfaitair en praktisch. In zoverre komt het de A-G voor dat de benadering van de Rechtbank, als meer gericht op een economisch reëel eindresultaat, minder goed in overeenstemming is met de uitgangspunten en wetssystematiek van de Wet BPM. Er is, naar de A-G meent, onvoldoende reden om af te wijken van de lijnen gekozen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, als toegepast door het Hof. Dat betekent dat in casu de auto moet worden aangemerkt als een ‘nieuwe auto’. Overigens meent de A-G dat hier geen sprake is van discriminatoire concurrentievervalsing, waartegen artikel 110 VWEU gericht is. Een in Nederland geproduceerde auto met transportschade wordt namelijk evenals een buiten Nederland geproduceerde en geïmporteerde auto met transportschade, gelijk behandeld voor de heffing van BPM. In beide gevallen wordt uitgegaan van de toepasselijke cataloguswaarde, zonder vermindering. Van enige discriminatie in de zin van artikel 110 VWEU is daarom in casu geen sprake. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken