Conclusie A-G IJzerman 23 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:608

Belanghebbende heeft op 21 januari 2010 met het oog op de registratie van een uit Duitsland afkomstige personenauto in het Nederlandse kentekenregister, aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Voor de auto was in Duitsland eerder, op 13 januari 2010, een Duits kenteken afgegeven. Op het moment van aangifte was de kilometerstand 747. Aan de auto was enige lichte schade waarneembaar. Belanghebbende is er in haar berekening van het door haar op aangifte verschuldigde bedrag vanuit gegaan dat de auto moest worden aangemerkt als een gebruikte personenauto als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. In verband daarmee heeft belanghebbende in haar aangifte een vermindering ten opzichte van de nieuwwaarde in aanmerking genomen. Na kennisneming van de aangifte van 21 januari 2010 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het hier voor de toepassing van de Wet BPM niet ging om een gebruikte personenauto, zodat door belanghebbende bij aangifte ten onrechte vermindering was toegepast. Daarom is op 1 februari 2010 een naheffingsaanslag BPM opgelegd naar de in aanmerking te nemen nieuwwaarde, tot een bedrag van € 4.287. In geschil is of de auto een gebruikte auto is in de zin van artikel 10 van de Wet BPM. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Het Hof heeft geoordeeld dat de auto een gebruikte auto is in de zin van artikel 10 Wet BPM en heeft daarom de naheffingsaanslag vernietigd. De Staatssecretaris komt in cassatie op tegen ’s Hofs oordeel dat voor de toepassing van artikel 10 van de Wet BPM onder een gebruikte auto dient te worden verstaan een auto waaraan al eerder een kenteken is toegekend. Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip gebruikte personenauto aangesloten bij de registratie van een personenauto in een register van kentekens, ook ingeval de eerste kentekenregistratie in het buitenland heeft plaatsgevonden. Daarmee hanteert het Hof een formele maatstaf die volgens de A-G in ieder geval, wat daar overigens ook van zij, praktisch goed uitvoerbaar is. De Staatssecretaris zou echter, naar de A-G begrijpt, toe willen naar een meer materiële benadering van het begrip gebruikte auto. Daartoe wordt als te hanteren maatstaf genoemd dat aan de hand van de feiten en omstandigheden dient te worden beoordeeld of de onderhavige auto niet of nauwelijks is gebruikt en op die grond als nieuw moet worden aangemerkt voor de Wet BPM. De A-G merkt op dat in de Wet BPM niet is gedefinieerd wanneer sprake is van een gebruikte auto. Ook in de parlementaire geschiedenis is de term ‘gebruikte personenauto’ in de zin van artikel 10 Wet BPM, voor zover de A-G bekend, niet nader toegelicht. In de memorie van toelichting bij artikel 9 Wet BPM is opgemerkt dat onder een gebruikte personenauto moet worden verstaan een personenauto die al eens geregistreerd is geweest, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen registratie in Nederland of in een ander land. Ofschoon deze toelichting zag op (het toenmalige) artikel 9, lid 6, Wet BPM, zou de A-G niet weten waarom de wettelijke term ‘gebruikte personenauto’ in artikel 10 Wet BPM anders zou moeten worden uitgelegd. In verband daarmee en met het oog op de zijns inziens wenselijke goede praktische uitvoerbaarheid gevoelt de A-G voor de door het Hof aangelegde formele maatstaf ter beantwoording van de vraag of sprake is van een gebruikte auto. Een louter formeel criterium dat immer doorslaggevend is, komt de A-G evenwel onjuist voor. Er zal zijns inziens, gezien de bestaande jurisprudentie, tot op zekere hoogte ook moeten worden gekeken naar de daadwerkelijke ingebruikname van de auto. Dat betekent volgens de A-G dat een in het buitenland gekentekende auto niet als gebruikt mag worden aangemerkt als daarmee in feite niet of nauwelijks is gereden. Echter, het lijkt de A-G dat uit de tekst van de hier toepasselijke Leidraad BPM 2006 moet worden opgemaakt dat een buitenlandse kentekenregistratie afdoende is om een auto als gebruikt aan te merken in de zin van artikel 10 Wet BPM. Dat betekent dat de meer materiële benadering in het eerste middel van de Staatssecretaris erop afstuit dat op grond van de Leidraad BPM 2006 de eerdere buitenlandse kentekenregistratie reeds afdoende is om de auto als ‘gebruikt’ aan te merken in de zin van artikel 10 Wet BPM. Deswege falen beide middelen. De A-G meent dus dat in deze procedure niet wordt toegekomen aan de materiële vraag of deze auto ten tijde van de Nederlandse kentekenregistratie, in het licht van de kilometerstand van 747, de lichte gebruikssporen en de overige feitelijke omstandigheden, moet worden aangemerkt als een gebruikte auto. Dat neemt niet weg dat te voorzien is dat dergelijke vragen zullen moeten worden beantwoord in volgende procedures, met name voor kentekenregistraties welke hebben plaatsgevonden na de intrekking van de Leidraad BPM 2006, per 16 juni 2010. Dat zou volgens de A-G wellicht voor de Hoge Raad reden kunnen zijn om reeds in het verwachte arrest in de onderhavige procedure, voor zover nodig ten overvloede, overwegingen daaraan te wijden. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, vanwege een rekenfout in de proceskostenveroordeling, gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken