Conclusie A-G IJzerman 20 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:170
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vaststelling van niet gepubliceerd begunstigend beleid bij de berekening van belastingrente en de eventuele intrekking daarvan in antwoord op Kamervragen. Het gaat om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5419. Aan belanghebbende, is met dagtekening 31 januari 2015 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting voor het lopende jaar 2015 opgelegd. Het daarbij vastgestelde bedrag van € 26.398 heeft belanghebbende betaald. De aangifte is ingediend op 25 april 2017. Uit de aangifte volgt een bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting van € 19.977. In deze aangifte is per abuis het bedrag van de voorlopige aanslag van € 26.398 aangegeven als ‘te verrekenen dividendbelasting’. Belanghebbende heeft daardoor na ambtshalve vermindering op 15 mei 2017 het gehele eerder betaalde bedrag van € 26.398 terug ontvangen. Met dagtekening 1 juli 2017 heeft de Inspecteur een definitieve aanslag van € 19.977 opgelegd, met een belastingrentebeschikking van € 1.786. Uitgaande van de wettelijke regeling is de door de Inspecteur vastgestelde belastingrentebeschikking juist te achten. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat bestaand beleid van de Belastingdienst in de weg stond aan onverkorte toepassing van de wettelijke regeling. Dat beleid hield in dat er geen belastingrente werd berekend over de periode dat enig naderhand in de definitieve aanslag begrepen geldbedrag al binnen was bij de Belastingdienst. Het op de voorlopige aanslag 2015 betaalde bedrag van € 26.398 heeft op rekening van de Belastingdienst gestaan tot de terugbetaling op 15 mei 2017. Het Hof heeft op basis daarvan de door belanghebbende te betalen belastingrente teruggebracht van € 1.786 naar € 190. Het bedoelde beleid is gebaseerd op uitlatingen in verslagen uit 2015 en 2016 van de Landelijke vakgroep Formeel Recht van de Belastingdienst, inhoudende ‘dat we geen rente berekenen over de periode dat het geld al bij de fiscus was’. Het gaat hier niet om door de Belastingdienst als zodanig gepubliceerd beleid. De uitlatingen zijn naar aanleiding van een Wob-verzoek door de Staatssecretaris openbaar gemaakt, met dagtekening 1 maart 2017. Het Hof is van oordeel dat de uitlatingen in de verslagen niet moeten worden gezien als louter een voorbereidend standpunt om te komen tot landelijk beleid, maar als begunstigend beleid. Volgens het Hof kan ook niet gepubliceerd begunstigend beleid de inspecteur binden. Het Hof is aldus tot de conclusie gekomen dat in de voor het onderhavige geval relevante periode sprake was van begunstigend beleid en dat belanghebbende zich kan beroepen op rechtens te beschermen vertrouwen. Zij mag op toepassing van dit beleid blijven rekenen totdat het uitdrukkelijk is ingetrokken of gewijzigd, hetgeen in het algemeen niet met terugwerkende kracht kan geschieden. Intrekking heeft naar het oordeel van het Hof plaatsgevonden bij brief van de Staatssecretaris van 8 december 2017, zodat deze latere intrekking niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. De Staatssecretaris komt in cassatie op tegen de uitspraak van het Hof. Het beroep in cassatie is gericht op onverkorte wetstoepassing, zonder beperking door enig beleid. Met name omdat het vertrouwen voorafgaand aan het in rekening brengen van de belastingrente, op 1 juli 2017, reeds zou zijn beëindigd door de publicatie van antwoorden op Kamervragen van 7 juni 2017. De A-G wijst erop dat het Hof de geschilomschrijving aldus heeft geformuleerd: De Inspecteur betwist dat sprake is geweest van enig beleid te dezer zake en stelt voorts dat, zo dat anders zou zijn, dat beleid bij de beantwoording van de Kamervragen op 7 juni 2017 is ingetrokken. Het komt de A-G voor dat deze geschilomschrijving moet worden geacht thans voor te liggen in cassatie. De A-G is van mening dat hier inderdaad als begunstigend beleid tot stand is gekomen dat er geen belastingrente werd berekend over de periode dat enig bedrag dat onderdeel wordt van de aanslag, heeft gestaan op rekening van de Belastingdienst. De A-G meent dat als men het binnen de Belastingdienst eens is geworden over de ‘lijn’, dit betekent dat er intern beleid is geformuleerd. Dat het beleid pas later is vrijgegeven na een WOB-verzoek acht de A-G niet relevant voor de constatering dat sprake is (geweest) van beleid. Het middel van de Staatssecretaris behelst dat intrekking van het beleid als bekend gemaakt bij brief van 1 maart 2017, heeft plaatsgevonden door de gepubliceerde beantwoording van Kamervragen van 7 juni 2017. Daartoe is gesteld dat het vertrouwen voorafgaand aan het in rekening brengen van de belastingrente op 1 juli 2017, reeds was beëindigd door de publicatie van die antwoorden op Kamervragen. Dat blijkt volgens de A-G echter niet uit de beantwoording. Het gaat daarin steeds om vergoeding van belastingrente, terwijl het in casu juist gaat om (beperking van) te betalen belastingrente. Over dat laatste gaat de beantwoording niet. De A-G ziet niet in dat uit de mededeling dat er geen beleid zal worden ingevoerd tot ruimere vergoeding, zou moeten volgen dat bestaand beleid over matiging van betaling van belastingrente wordt ingetrokken. Daarbij merkt de A-G op dat gezien de aan intrekking verbonden gevolgen voor de belastingplichtigen, moet worden verlangd dat intrekking in duidelijke bewoordingen plaatsvindt. Dat lijkt de A-G hier, hoe dan ook, niet het geval te zijn. Volgens de A-G is hier geen sprake van intrekking van het onderhavige beleid per 7 juni 2017, zodat het middel van de Staatssecretaris faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10477
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5419
- Hof Den Haag 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106
- HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:757
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4583
- HR 28 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258
- HR 4 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8885
- HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264
- HR 7 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AX6845