Conclusie A-G IJzerman 17 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:262

Het geschil draait om informatiebeschikkingen ziende op eventuele niet (volledig) aangegeven buitenlandse bankrekeningen. Rechtmatigheid en reikwijdte van de informatiebeschikkingen. Kunnen belanghebbenden vertrouwen ontlenen aan de ‘Handreiking wet Dezentjé’ die naar aanleiding van een WOB-verzoek openbaar is gemaakt? Het gaat om het beroep in cassatie van [X1], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2020 en het daarmee samenhangende beroep in cassatie van de erven [X], eveneens belanghebbenden, tegen de uitspraak van hetzelfde Hof van dezelfde datum, ECLI:NL:GHARL:2020:786. De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbenden hebben een beroep op de inkeerregeling gedaan voor het niet in eerdere aangiften inkomstenbelasting vermelden van vermogensbestanddelen op twee in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De Inspecteur heeft informatiebeschikkingen afgegeven met verzoek de gegevens en inlichtingen te verstrekken over de inkomsten en/of het vermogen in de jaren 2001 tot en met 2013, als vermeld in de bijlage ‘Gespecificeerde verklaring vrijwillige verbetering’. Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikkingen. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechtmatigheid van een informatiebeschikking dient te worden getoetst naar het moment waarop die beschikking is vastgesteld en in het licht van de specifieke omstandigheden op dat toetsingsmoment. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich op het toetsingsmoment geen oordeel kunnen vormen over de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, omdat belanghebbenden geen enkel inzicht hebben gegeven in de saldi van de twee buitenlandse bankrekeningen in de jaren 2001 tot en met 2013. De omstandigheid dat (mogelijk) niet de vereiste aangifte is gedaan, met als gevolg dat de bewijslast al om die reden wordt omgekeerd, staat daarom volgens het Hof niet in de weg aan het vaststellen van de informatiebeschikkingen. Het Hof heeft in beide zaken geoordeeld dat de informatiebeschikkingen alleen betrekking kunnen hebben op de twee in de inkeerbrief vermelde bankrekeningen. Artikel 47 van de AWR kan naar het oordeel van het Hof niet zo ruim worden uitgelegd dat dit artikel ook ziet op de op het toetsingsmoment nog onbekende buitenlandse bankrekeningen. Het Hof heeft de informatiebeschikkingen vernietigd voor zover zij geen betrekking hebben op de in de inkeerbrief vermelde bankrekeningen. Voor zover de informatiebeschikkingen wel betrekking hebben op de in de inkeerbrief vermelde bankrekeningen hebben belanghebbenden naar het oordeel van het Hof onvoldoende ingebracht om de conclusie te rechtvaardigen dat de door de Inspecteur van hen gevraagde informatie wel zou zijn verstrekt. Belanghebbenden hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur zich op het toetsingsmoment geen oordeel kon vormen over de vraag of de vereiste aangifte is gedaan en tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbenden onvoldoende informatie hebben verstrekt over de in de inkeerbrief vermelde bankrekeningen. In dit kader merkt de A-G op dat de Handreiking waarop belanghebbenden zich beroepen geen regels bevat die zich er naar inhoud en strekking toe lenen om jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. Ook overigens ziet de A-G geen aanwijzingen dat sprake is van onzorgvuldig handelen door de Inspecteur of dat met het vaststellen van de informatiebeschikkingen de grenzen van de redelijkheid zouden zijn overschreden. De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld tegen het oordeel van het Hof dat de informatiebeschikkingen moeten worden beperkt tot de twee in de inkeerbrief vermelde bankrekeningen. De A-G meent dat Het Hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd en daarmee is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 47 niet zo ruim kan worden uitgelegd dat dit artikel ook ziet op de op het toetsingsmoment van de afgifte van de informatiebeschikkingen nog onbekende buitenlandse bankrekeningen. Het gaat er volgens de A-G om of de Inspecteur in redelijkheid kon vermoeden dat er nog meer buitenlandse bankrekeningen waren, zodat hij in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing. Daaraan is in casu, naar de A-G meent, in feite voldaan. De conclusie strekt ertoe dat de onderscheiden beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard en het incidenteel beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken